(41) Praag: 21 augustus 1968, (wonen in Amsterdam 9, zomers weg)

 

 

 

(vervolg op blog 40 “Praagse lente”)
Doodop dook ik op 20 augustus in bovenste bed van het stapelbed op de bovenste verdieping in een jeugdherberg in het centrum van Praag. Ik had enkele dagen achtereen alleen Tsjechisch gesproken met vrachtwagenchauffeurs boven het geluid uit van de dieselmotor. Op mijn manier dan: met behulp van het opschrijfboekje, waarin ik alle woorden opschreef die ik had begrepen. Ik verheugde me er op in Praag al mijn vrienden te ontmoeten.
DSC_8958 bBriefkaarten, die ik aan mijn ouders heb gestuurd
Ik werd ’s morgens gewekt door de propere schoonmaaksters die met me vertelden dat ik de jeugdherberg moest verlaten. Tussen 10.00 en 17.00 moest je toen altijd op straat verblijven. Het was een onrustige nacht geweest. Naar mijn gevoel vol onweer en gedonder van ruziemakende toeristen op de gang.
Toen ik opstond, zag ik dat alle bedden waren ontruimd en er zo goed als geen bagage van andere backpackers was. Ik werd aangesproken in het Russisch door een viertal gezette Russische dames. Natuurlijk ook wel jongelui, maar als je 18 bent, is een paar jaar ouder al gelijk een heel verschil.
Er was een invasie door het Russische leger en nu durfden zij de straat niet op. Er waren die nacht nogal wat kanonskogels over ons heen gevlogen. Ze stonden te bibberen van angst. Of ik met ze mee wilde gaan. Ik moest natuurlijk ook ontbijten dus wij met zijn vijven op stap.
 Aan het begin van de Vaclavski Namesti was mijn favoriete eettent met heerlijke milkshake voor 10 cent. Maar gelijk bij de jeugdherberg op de stoep van de Narodni werden we al geconfronteerd met de bezetting.
narodni
De tanks met hun rupsbanden trokken hele sporen in uit het warme asfalt van de Narodni.
De dagen die volgden zouden voor mij een totale chaos worden, wanhopig zwervend door Praag. Heen en weer geslingerd in opgenomen worden in het optimistische strijdgewoel van de Tsjechische menigten en op zoek zijn naar mijn vrienden, die niet meer te vinden waren. De gebeurtenissen van toen emotioneren me nog steeds zo, dat ik nu nog er om kan janken. Ik heb geen aantekeningen en weet ook niet hoe lang ik er was, 6 of 9 dagen, een week? Ik heb alleen onderstaande foto’s . Maar al de eerste dag heb ik mijn camera laten vallen en was ook het filmpje op.
narodni naar vlaclavski namesti
Tanks rijden vanaf de Narodni de Vlaclacski Namesti op.
Maar goed, wat moest ik met die Russinnen nadat we ontbeten hadden. Zij hielden angstig hun mond stijf dicht, om niet als Rus herkend te worden. Ze hadden bij toeval mij gevonden, klampten zich aan mij vast en waren niet van plan mij te verlaten. “Breng ons naar het Russische leger”, vroegen ze me. Zij wisten dat dat boven op de berg aan de andere oever van de Vltawa was. Dus wij op stap. De absurditeit van de situatie drong wel een beetje tot me door, maar ik ben nu eenmaal iemand die graag handelt en helpt. Maar de situatie werd nog gekker toen ik daar op de rand van een fontein Harry Mulisch met een mij vaag bekende Nederlander zag. Hij rookte rustig zijn pijpje alsof er helemaal niets aan de hand was. In een krantenartikel over zijn bezoek aan Praag zou hij mij omschrijven als een hippiemeisje en later gebruikte hij bij een schrijven over studentenacties nogmaals die term. Totaal onbegrip dus tussen ons .algemeen handelsblad Mulisch

Schrijvers wordt hun standpunt gevraagd over de invasie in Praag. Dit was het standpunt van H.M. Nu begrijp ik dat hij zo onbewogen was in Praag..)

 

 

 

In de eerste kolom het commentaar van het Algemeen Handelsblad. Daarnaast Karel van het Reve en Gerard van het Reve. Pas nu lees ik dat er dagenlang in alle kranten gediscussieerd is over de Russische invasie in CSSR.
Ik was natuurlijk blij even met iemand gewoon te kunnen praten over de situatie. Daarna trok ik ik verder met de vier dames op sleeptouw.
We klommen omhoog en omhoog door het park en ja hoor, daar stonden colonnes vrachtwagens en tanks. De dames fleurden op en ik leverde ze af aan iemand in een uniform. Maar daar stond ik toen in mijn eentje midden in het Russische leger.
Ik liep naar beneden naar de stad en probeerde me op het brede hete asfalt in de totale verlatenheid afgezien van heel veel militair materiaal en enkele soldaten, zo klein en onopvallend mogelijk te maken. Ik kwam zonder problemen weer terug ik in het rumoer.
uitzicht van bovenaf
Zo ziet Praag er vanaf de overkant uit
Die middag werd er helemaal aan de andere kant van de Vaclaski Nameski (Wenseclausplein) door de tanks die midden in de menigte stonden, volop geschoten. Het leek alsof ze het Nationaal Museum onder vuur namen en misschien deden ze dat ook. Het was de bedoeling dat ze een radiostation daar in de buurt uitschakelden. Want alle media waren gelijk in de vroege ochtend van de inval onmiddellijk actief geworden. DSC_8961 bOveral werden er kranten uit gedeeld. Meerdere edities per dag werden met vrachtwagens aangevoerd.wenspl 000000 18 (1hc)De Russische tanks stonden daar vast in de mensen en jongelui klommen er op en wilden praten met de soldaten die er in zaten. De pamfletten die de verbouwereerde soldaten in handen gedrukt kregen, waren in het Russisch.
brief 2 soldaten b

Niemand was bang. Er heerste meer een feeststemming. Als tanks schoten dan konden ze alleen ergens hoog een dakraam raken, want dichtbij schieten konden ze niet. Alle Tsjechische jongeren spaken Russisch en gingen met de soldaten in debat: “Waarom zijn jullie hier?” De soldaten zelf waren zeer jonge knaapjes. Soms wisten ze niet eens in welk land ze waren, maar hen was verteld dat ze als bevrijders zouden worden binnen gehaald. Je zag ze verbroederen met de Tsjechen en V-tekens maken.

vacl pl 18 (5)

 

 

 

De vlag wordt op Wenseclaus geplant.
Achter het National Museum woonde Katka met haar familie. Het was een woonwijk met grote barokke complexen. Van de grove betonnen versierselen waren in de loop van de jaren brokstukken afgebroken en de stalen pinnen staken naar buiten. Ik belde aan. Niemand thuis. Regelmatig liep ik die en de volgende dagen naar dat adres, maar nooit was iemand thuis. Zo verging het mij ook bij de andere zeven adressen van de vrienden waar ik zou logeren, die kende uit de werkkampen (zie vorige blog). Later zou ik horen dat ik Mirek, Vladja en Ivo en anderen had kunnen vinden op of via de redactie van de Literarny Listy, dat fungeerde als een van de hoofdkwartieren van actievoerders.

 

 

Overal was er dus nieuws te krijgen. Maar alleen in het Tsjechisch. Zo was het voor mij de situatie niet helemaal duidelijk.
Dubcek, de leider en inmiddels nationale held van “het communisme met een menselijk gezicht”(lees vorige blog) was gelijk de 21e ’s morgens gevangen genomen en naar Moskou gevoerd. De hele regering en het partijcongres verklaarde zich toen solidair met Dubcek. De dag er op ging de conservatieve president Svoboda die nu ook achter de nieuwe democratie van het Tsjechische volk stond, hem terughalen. Enkele dagen later kwam Dubcek als een gebroken en gemarteld man weer terug.
tv 1Televisies stonden op staat en zonden uit.
Ik zag dat er geen Russische soldaten meer waren. Langs de Vltawa (Donau) stond een eindeloze rij met open vrachtwagens gevuld met kleine Aziatisch uitziende mannetjes. Ze waren bang en spraken niet een taal die iemand begreep. In mijn herinnering waren ze niet bewapend. Het deed me wel beseffen hoe eindeloos groot de USSR moest zijn.

 

 

Ik liet mijn Agfa clack camera vallen, zodat na herhaald repareren ook de komenden twee jaar mijn foto’s onscherp en/of bewogen zouden zijn en mijn filmpje was vol.
Na een paar dagen belde ik de Nederlandse Ambassade. Eerst konden we het land niet uit. De grenzen waren gesloten. Overal stonden Oost-Europese troepen. Toen waren de grenzen open, maar was de stad omsingeld (of andersom).
Toen konden toeristen met auto een colonne vormen om het land te verlaten. Maar ik had geen auto en ik wilde het land niet verlaten. Ik wilde mijn vrienden vinden. Toch belde ik om de dag de ambassade, voor mij het enige steunpunt waar ik begrijpelijk nieuws kon krijgen. Uiteindelijk sommeerden zij mij me persoonlijk met mijn paspoort te komen om me te laten registreren. Dit deed ik en toen werd ik gelijk in een auto bij een Nederlandse familie gestopt. Dit was volgens hen de laatste colonne die ze organiseerden naar de grens.
Huilend zat ik op de achterbank tussen de kinderen geklemd.
afscheid 300 b
Dit had ik achter op een pamflet geschreven en hield ik voor het raam.

Ik liet mijn vrienden, mijn geliefde Tsjechië en mijn idealen in de steek.
In Nürnberg werd ik verweesd afgezet en het gezin ging op vakantie in Italië.

Wordt vervolgd met “ Praagse Winter” .

 

 

Advertenties

(40)Praagse lente, (Wonen in Amsterdam 8, zomers weg)

0 IMG_20180614_0001Groepsfoto buitenlandse gasten Cernosice. Ikzelf:  linksonder met poes.

Juni 1968 had ik al via een vriendin een kamer  gehuurd  in Amsterdam, maar ik kon daar pas half september terecht.
Daarom eerst op reis.
Mijn schriftelijke examen in april had ik totaal onvoldoende gemaakt en ik was met hoge koorts thuis gekomen. Ik lag een paar maanden als een vaatdoek geveld door Pfeiffer op bed. Er was geregeld dat ik in september examen kon doen, maar ik kwam tot ieders verbazing opdagen op het mondeling. Mijn vader achter mij aan met een stretcher onder zijn arm, voor het geval dat ik flauw zou vallen o.i.d. De wiskundeleraar was al een paar keer aan mijn bed geweest. Dus over exacte vakken geen zorgen. Door een vlotte babbel in zes verplichte talen kwam ik door het examen.2 freek 2
Twee weken later stond ik, zoals ik al maanden van plan was, langs de Utrechtse weg te liften naar Tsjecho-Slowakije.
Met Freek, een klasgenoot, die spontaan besloot mee te gaan
De zomer ervoor had ik zeven weken werkkampen van de SCI gedaan in Engeland. Service Civil International, was na de 2e wereldoorlog in Verdun opgericht met het idee dat als jongeren uit verschillende landen samen aan projecten voor de armsten of milieu werken, de wereldvrede misschien behouden kon worden. (zie ook blog 9, maart 2014). In die tijd gingen scholieren of studenten vaker in de vakantie naar kampen, christelijke kampen of met natuurvrienden. Het internationale van de SCI sprak mij aan. Tot mijn verbazing bestaat de SCI nog steeds.

Eerst ging ik naar een kamp in Sheffield. We brachten kinderen die woonden in verkrotte huizen, waar zwarte flarden aanhingen in straten waar ook de vervuilende fabrieken stonden, langs een groot klaverblad van snelwegen naar een heuvel met gras. Verder hoefden we niets te doen. De kinderen waren het gelukkigste als ze aan ons hingen en blij als ze een motje zagen.

Met Marián (links) en Bandu (rechts) ging ik van Sheffield naar Swansea. Krantenfoto: Maruch (links) en ikzelf (midden).

In Swansea probeerden we wanhopig boompjes in leven te houden in een maanlandschap, het resultaat van eeuwen industrie.

Marián links en Maruch tweede van links op de middelste foto in Swansea
Ik had in deze werkkampen veel Oost-Europeanen ontmoet, vooral veel Tsjechen en die wilden dat ik kwam logeren, dus ik kwam.
Inmiddels was er ook een Tsjechische tak van de SCI opgericht, dus zou ik ook in het eerste echte vrije werkkamp in de CSSR nieuwe Tsjechen ontmoeten.
Zodoende liftte ik kris kras enkele maanden door Tsjecho-Slowakije.

Freek reisde de eerste weken met mij mee. En wij hadden een topvakantie!2 freek3

Pas jaren later heb ik van mijn ouders gehoord, hoe angstig zij het vonden, dat ik naar achter het ijzeren gordijn ging. En de jaren er na ging ik steeds weer. Mijn vader schijnt doodsangsten te hebben doorstaan terwijl ik nog wel vanuit Tsjecho-Slowakije 18 briefkaarten naar huis heb gestuurd met kerken en kastelen er op.

Mijn moeder zei mij eens , toen ze al 97 was: “De oorlog was erg, maar nog erger vond ik het rode of gele gevaar: de gedachte dat alles nog eens kon gebeuren..”

Eerst in Bratislava op bezoek bij Marián.

 

 

Uitzicht vanuit de flat, waar Marián, die werkzaam was als architect, woonde met zijn ouders en broers en zussen. “Huizen” bewoond door zigeuners.

Maruch, haar moeder en broer met de kinderen van haar broer.
Daarna een weekje logeren op het platteland. Naar Maruch in een dorp bij Ceske Bedejovice.
Haar vader was natuurkundedocent aan de universiteit, maar verdiende een zakcentje extra met het kweken van bijenkoninginnen. Maruch vulde in de zomervakantie het gezinsinkomen aan, doordat ze razend snel bosbessen kon plukken in de omliggende bossen
Voortdurende reisden we met onze gastheren/dames ook naar Praag.
Ik viel daar natuurlijk in de Praagse Lente. Wat een feest!!
In 1946 verklaarde Winston Churchill dat er over Europa een ijzeren gordijn hing. Het Oostblok mocht doen wat het wilde. In de 20 jaren die volgden, werd Tjecho-slowakije onder Stalin volledig gesovjetiseerd. De partij-idiologie werd belangrijker dan het individu of gezin.
In Januari 1968 had de jonge Alexander Dubcek (47 jaar) het gewaagd om op het partijcongres politieke hervormingen voor te stellen. En tot ieders verbazing werd hij, waarschijnlijk omdat hij in Rusland bij de hoge partijtop had gestudeerd, verkozen tot secretaris van de partij, de hoogste functie. Hij ging gelijk aan de slag. Hij noemde zijn nieuwe beleid “Socialisme met een menselijk gezicht”: de partij moest democratischer , maar vooral de vrijheid van meningsuiting werd weer ingevoerd en de Tsjechen mochten vrij reizen naar het buitenland. Van de ene dag op de andere werd Praag dat in het verleden een hoofdstad van de Europese cultuur was, van een sombere sovjet staat een vrolijke vrije mondaine wereld. Kunstenaars en schrijvers speelden een belangrijke rol in de politieke discussie. De studentenonlusten uit Parijs sloegen gelijk over. Achter de statige sovjet 1-meiparade kwam spontaan een bonte stoet van studenten en omstanders, dansend en zingend en vrolijk vendelzwaaiend met grote vlaggen. Die zomer was er overal straattheater, mime 2 maruch Freek Iken muziek op straat.
Maar ook in dorpen en kleinere steden gingen mensen de straat op om te discussiëren. Een man met een tas vol boodschappen klom op een houten bank en stelde het onderwijssysteem ter discussie en al gauw was er een groep omstanders met elkaar in debat.
Zo ging dat toen.
De lucht was vol van verandering.

Na een maand omzwervingen ging Freek naar huis en ik ging naar Werkkampen.

Zo kwam ik in Cernosice. Het eerste kamp dat de Tsjechische SCI had georganiseerd.
We gingen de tuin opknappen van een bejaardentehuis.
Vooral de hekken schilderen en de omheining repareren.

Rust in de tuin: een bejaarde met de onafscheidelijke mok melk jaagt op een schaapje.
Zowel voor ons, als voor de bejaarden zelf, was dit een nieuwe ervaring.
Onze werkmeester was 85, dus hij raadde ons aan niet al te hard te werken.
Ik zag met verbazing bejaarden van vier hoog er de hele ochtend over doen om de trappen af te schuifelen om vervolgen de hele middag te besteden met het naar boven klimmen met in de ene hand een mok melk en de andere hand een Tsjechische croissant.

Natuurlijk was er naast veel uitnodigingen in het dorp voor het drinken van pivo en wodka ook discussie binnen onze groep.
3 werk 5 discuusie ontspanning kamp fotobladz
Discussie en ontspanning
De jonge Tsjechische studenten, allen rond de 20, waren unaniem optimistisch over de toekomst. Zij wisten de westerlingen te overtuigen, dat de Russen niet zouden durven komen en als ze kwamen, zouden ze de nieuwe revolutie niet kunnen breken. Unaniem op één persoon na: Mirek. Hij was een tien jaar ouder en muziekdocent en muzikant. Hij speelde onder andere trompet in de Tatranbar, een nachtclub ten behoeve van het opkomend toerisme.
Maar hij werd beschouwd als een goeiige oude mopperkont.

 We overnachtten vlakbij de spoorbaan. Voor 18 cent gingen we regelmatig met de trein naar Praag.
Na het kamp had ik dus nog veel meer adressen van Tsjechische vrienden. En ik liftte met mijn nieuwe buitenlandse vriendinnen opgewekt door Tsjecho-Slowakije om kastelen en natuurschoon te bewonderen .
Was liften in Nederland een reismiddel dat voorb3 werk slot praagehouden was aan een kleine groep studenten, in Tsjecho-Slowakije was liften normaal vervoer. Alleen partijbonzen reden in een auto. Ook als je een koelkast of wasmachine had gekocht, ging je daarmee langs de kant van de weg staan.
Uiteindelijke reisde ik een week alleen en besloot vanuit het oosten terug naar Praag te gaan.
Ik had onder andere afgesproken met Katka, Ivo, Vladja en Mirek. Ieder wilde mij zijn of haar stukje Praag laten zien.

Ik ging naar een jeugdherberg die tijdelijk was ingericht in een school in het centrum.
En dook nietsvermoedend onder de dekens in een stapelbed op de bovenste verdieping.

(wordt vervolgd met “Praag 21 augustus 2018”

 Dagboek Cernosice van Betsy

.

 

 

 

(39) Moeders fotoboekje 1933-1935, Wonen in Amsterdam 7

6 portretjexz1934: kinderbewaarplaats, plantagmiddenlaan 31

Na de dood van mijn moeder blader ik door een fotoboekje.
Ik wist van het bestaan, maar heb er nooit samen met mijn moeder ingekeken. Heel jammer achteraf. Maar ja, moeder was al oud en ik riep: ”Kom ma, je moet in de rolstoel”. Haar laatste levensjaren was ik waarschijnlijk de enige die haar mee naar buiten nam. Ondanks het gemopper vooraf, want ik moest haar dan helpen helemaal netjes aan te kleden, genoot ze daar zo van! Alleen al de wind langs haar wangen! Even naar de fuutjes in de Mark kijken en dan asperges eten op het Ginneken. Je kon haar geen groter plezier doen. En vooral met uitzicht op spelende kinderen. Want kinderen, dat is altijd moeders passie geweest. Zo heerlijk om  haar verbaasde en geamuseerde commentaar te horen over hoe kinderen zich nu gedragen.
sollicitatiebriefje
Doorslag van een lijstje van werkzaamheden t.b.v een sollicitatie of examen?

Het fotoboekje staat dan ook vol met kinderen. Waarschijnlijk stages of werk dat ze gedaan heeft in die jaren. Zowel mijn vader als mijn moeder kwamen uit een middenstandsgezin, dat zich in één generatie aardig omhoog had gewerkt. Maar allebei kozen ze niet voor de rol die daarbij hoorde. Zij wilden studeren. Mijn grootmoeder vond examen doen slecht voor de gezondheid. Vanwege de examenstress was dat zowel voor de meiden als de jongens verboden. Mijn moeder ging daarom zonder dat haar ouders het wisten met de trein van Bergen Op Zoom naar Breda om Mulo-examen te doen. Zij wilde naar de Katholieke School voor Maatschappelijk Werk die net was opgericht in Sittard. En dat deed ze, zien we in het fotoboekje.
Mijn vader kon gaan studeren toen de zaak van zijn vader failliet ging.
groeten uit adamZe ontmoetten elkaar in Tilburg. Mijn moeder had echt de droom om naar Amsterdam te gaan, waar haar oudste, 10 jaar oudere broer woonde die via het seminarie het middenstands-milieu was ontvlucht. Mijn moeder greep iedere kans aan om te werken. Liefst natuurlijk in Amsterdam. Geen werk betekende, dat ze thuis zat bij haar ouders in Bergen op Zoom. Zo heeft zij jaren onbetaald voor de klas gestaan. Het was crisis en er werden 10 stagiaires aan genomen, waarvan er één aan het eind van het jaar een aanstelling kreeg. Ook heeft zij een half jaar in een gezin met negen kinderen, wier moeder in het ziekenhuis lag, het huishouden gedaan. Voor een meisje van begin 20 was het geen geringe taak om negen kinderen aandacht te geven. Ze vond het een uitdaging dat er per dag maar één gulden te besteden was. Dat is haar later ook goed van pas gekomen toen wij in het gezin geen cent te makken hadden, terwijl ze ons het gevoel kon geven dat we rijk waren. Iets dat ik echt van haar heb geleerd en mijn dochter ook heeft meegekregen.
1 creche overzicht
Op een terras aan de Ginnekenmarkt vertelde moeder graag over de Jodencreche, formeel: Kinderbewaarplaats, plantagemiddenlaan 31 te Amsterdam. Het was daar zo modern! Zo veel fijner dan bij die “achterlijke” nonnen! Ze hadden daar zelfs kinder-wctjes. En hoe vrij ze met de kinderen omgingen…
0005 2 portretjes zitttend
Mijn moeder vertelde ook dat ze ’s morgens kinderen binnen kregen van joodse stellen die voor het antisemitisme uit Frankrijk gevlucht waren. Zo’n kindje heette dan Joël de la Croix en werd ’s avonds aan een Amsterdams gezin meegegeven als Joeltje Braasems. Dit was in 1934. Op mijn moeder als 21 jarige maakte dit diepe indruk. Dat je je kind achterliet bij vreemden omdat je op de vlucht was. Dit in goed vertrouwen, in de hoop dat als je veilig in het buitenland zat, je kind hoe dan ook weer veilig bij je zou komen.
7 portretjes creche
Er staan in het boekje foto’s met haar vriendinnen, maar ook veel foto’s met groepen kinderen. Ik ga proberen te achterhalen wat het voorstelt. Ik zie nette jongetjes met petjes op. Waarschijnlijk voetballertjes uit Floradorp. Hier wil ik om dat het begin mei is, de foto’s van kampers er uit halen. Waarschijnlijk is ook een gedeelte van deze kinderen in de Duitse kampen omgekomen.
kamp
Hierboven staat Kamp 1933 en er onder Communiekinderen.
Ik vermoed omdat het St Willibrord in Brabant is. Toen mijn moeder 97 jaar was, bood zich een hulp aan uit St. Willibrord. Mijn moeder zei toen: “Ik heb heel vroeger, toen ik nog jong was, maar ook later als maatschappelijk werker gewerkt voor mensen uit dat kamp. Maar met die mensen kan ik niet omgaan. Deze meid wilde ook gelijk dat ik haar broer voor klussen zou nemen. Ik wil ze daar wel helpen, maar niet in huis hebben.”
portretjes zigeunerkinderen
Een 10-tal bladzijden verder kom ik portretjes tegen van “Walda” en “Tobi”.
Over zigeunerkinderen sprak mijn moeder altijd vol lof en liefde. Ze waren zo knap. Mooi om te zien en vooral getalenteerd.
Boven de bladzijde naast de portretjes staat weer “Kamp” Maar ik vermoed dat dit het zigeunerkamp is, omdat de foto’s veel persoonlijker zijn, dan de foto’s van de andere bladzijde “Kamp”. Weet iemand waar dit is?
zigeunerkamp
Mijn moeder wilde natuurlijk ook dolgraag zelf kinderen. Toen zij mijn vader ontmoette en smoor verliefd werd, wilde ze zo snel mogelijk trouwen. Maar mijn vader vond de tijd niet geschikt. Er was crisis en opkomend fascisme in Duitsland; er kon wel een wereldoorlog uitbreken….

Na bijna 8 jaar verloving trouwden mijn ouders op 16 juni 1941. Zo kwam mijn moeder in Amsterdam te wonen in plaats van daar steeds te bivakkeren. Maar het betekende wel dat het bijna 25 jaar zou duren voor zij als getrouwde vrouw weer echt in haar beroep zou werken. Als je trouwde, wist je toen, dat je nergens meer een baan zou kunnen krijgen. In Amsterdam heeft ze, voor zover oorlog en hongerwinter dit toelieten, nog enig vrijwilligerswerk gedaan totdat mijn ouders moesten onderduiken in 1944 .

Met dit boekje en de foto’s ben ik langs alle organisaties geweest, die zich bezighouden met foto’s van Joodse kinderen van voor de oorlog, maar er was geen belangstelling voor. Daarom publiceer ik ze op deze wijze. Als er nabestaanden zijn die ik blij kan maken met een iets betere afdruk, neem dan contact met mij op.

(zie voor verhalen van moeder over en voor de oorlog ook blog 33 en 36)

(38) „ Jongensvriendschap“ , Wonen in Amsterdam 6. WITTENBURG 2

9-7-2016wittenburg kleinDe foto’s hebben geen verband met het verhaal. Ik heb ze erbij geplaatst om te laten zien dat Wittenburg een fijne multicultibuurt is.
De jongens uit deze blog staan er niet op

Wij mochten van onze moeder niet naar de Parelschool. Daar zaten boefjes op. Wij gingen naar de katholieke Poolschool.”
Ja, dat was wel een beetje waar. Het schoolhoofd van de Parelschool,  die bijna 40 jaar de leiding had van de school, had een gouden hart: ieder kind was welkom. Maar vooral: openbaar onderwijs kon geen leerlingen weigeren en speciaal onderwijs wel.

1989

13-2-1989

Ik kom Nikos tegen op weg naar de AH.
Hij was jarenlang mijn buurjongen. Nu heb ik hem al anderhalf jaar niet gezien en we raken in gesprek.
Nikos zat halverwege de Havo, toen zijn moeder ernstig ziek werd. Zijn ouders gingen wonen bij haar ouders in Griekenland. Nikos ging niet weg uit Amsterdam. Hij bleef alleen in het ouderlijk huis wonen. Zijn hoofd stond niet meer naar leren. Hij miste zijn familie en vooral zijn moeder. Hij verzuimde van school. Hij wilde liever gaan werken.
Ik zag vanuit mijn raam dat zijn vriend Mounir in deze moeilijke tijd voor hem langs kwam. Als kind speelden de jongetjes samen op de stoep of in de speeltuin. Mounir, een krullenkopje en Nikos met stijl zwart haar.
Ook zag ik Fadira, de moeder van Mounir in die tijd regelmatig komen en gaan.
Nikos was al vanaf heel jong de beste vriend van haar jongste zoon Mounir. De jongens trokken nu dus nog steeds samen op.
p 0c
Mounir zat toen op de Parelschool. Farida kende ik goed als actief lid van de ouderraad. Zij had, zoals veel Marokkaanse moeders toen in deze buurt een groot gezin. Ze kon niet lezen of schrijven, maar Farida was altijd als eerste bereid klusjes te doen voor de school. Een leerkracht vertelde graag voor de klas: “De zonen van Farida hebben een leesprobleem” Dan keek de hele klas hem verbaasd aan: IMG_20180409_0005avHoezo? In dat gezin doen alle kinderen het toch juist heel goed? . “Ze kunnen niet ophouden met lezen. Ze lezen in bad en zelfs op de WC. Overal!”
Farida’s kinderen doorliepen glansrijk de middelbare school. Verschillende meiden en jongens uit dat gezin haalden HBO of hoger diploma. Eén van de oudsten heeft onlangs een belangrijke muziekprijs gewonnen.

 

                                                                                                                             5-5-2016
Met Nikos gaat het nu goed en hij heeft een baan, die hij interessant vindt. Tegelijkertijd doet hij een opleiding, waarmee hij in zijn vak hogerop kan komen. Nikos woont nu met zijn vriendin bij zijn veel oudere zus en haar vriend.

                                                          12-2-1992                                                16-2-1993
Hoe is het met Mounir” vraag ik nietsvermoedend aan Nikos.
Weet je dat niet? Niemand heeft meer contact met hem. Hij zwerft. Hij is aan de alcohol en drugs.”
Ik schrik. “Hoe komt dat zo?”
“Slechte vrienden…Mounir was een fijne jongen en kon heel goed leren. Maar in de laatste klas van het Gymnasium hing hij op de speeltuin. Hij wilde steeds minder met mij en onze vrienden mee. En uiteindelijk was hij helemaal weg. ”

5-5-2016                                                     9-7-2016

Veel later liep ik eens langs de speeltuin toen ik vriendjes tegen zijn kleine broertje Aziz van 13 hoorde praten om bij AH te gaan stelen. Ik heb toen die vriendjes een klap verkocht en ben naar zijn oudere broer gegaan. Die heeft Aziz flink onder handen genomen: ‘Als jij zo doorgaat broertje, ga je dezelfde kant op als je broer Mounir en ben je mijn broertje niet meer.’
Gelukkig heeft dat voor hem geholpen, maar voor Mounir heb ik niets kunnen doen..”DSC_5608 kl
24-9-2016
Dan was het toch Farida die ik heb gezien in de Moskee, bij de afscheidsbijeenkomst van Mo Bouchikhi (zie blog: WITTENBURG 1)
Ze zag lijkbleek, helemaal verscholen in een hoofddoek, die ze naar voren had getrokken. Ik kreeg geen oogcontact met haar. Zo kende ik haar niet. Ik twijfelde daarom of zij het wel was. Farida had altijd een lach van oor tot oor. Altijd wist ze anderen enthousiast te maken.

En wat betekent dit voor Nikos?
Mounir, die altijd zijn beste vriend was…
Ook hij is als meer jongens in onze buurt afgegleden….

Ik ga alleen nog om met de oudere broers van Mounir. En het kleine broertje”
vervolgde Nikos.
Nikos”stamelde ik “Wil je vooral Farida van mij de groeten doen?”
Ja natuurlijk, ik kom er binnenkort weer”

Dit gesprek vond zo begin februari 2018 op straat plaats. De namen van de genoemde personen heb ik veranderd.

maria bervoets (0)Parel d ‘Amour 2008

 

(37) “De nacht van 5 op 6 februari 2018, 2.45 uur.” Wonen in Amsterdam 5. WITTENBURG 1

DSC_3385 kleinDe foto’s zijn genomen op Wittenburg in de winter 2017/2018

Het vriest voor het eerst dit jaar. Het is beangstigend stil in onze buurt. Ineens valt het op dat er geen helicopters boven de straten cirkelen. Drie jaar terug keek je nog om hoog:”he, een helicopter…….. van de politie”. Daarna werd het gewoon en vervolgens waren ze er bijna altijd. En nu is het volkomen stil.
De lucht is ijl en transparant.

#
De interim buurtregisseur sprak ons op straat aan. Zouden wij de drugsrunnertjes als zij met hun Scootertjes langs mijn slaapkamerraam over de over de kade scheuren bij de politie willen melden?  Dan werden ze op heterdaad betrapt bij de bij de zwarte BMW aan de achterkant van mijn huis.  Een paar keer heb ik de politie  gebeld. Steeds hetzelfde antwoord: “Legt u onmiddellijk de telefoon neer. We heb niet eens genoeg mensen voor 1012. Denkt u dat we helemaal naar 1018 komen?” Zo raakte ik  aan de racende scootertjes gewend. Even als de motor van de buurman en de het nog zwaardere geluid van de politiemotoren die regelmatig midden in de nacht mijn straatje inrijden en vaak zonder te keren weer uit.
DSC_5260 klein
De brommertjes van krantenjongens ’s morgens vóór 7 uur. Het geklepper van de brievenbussen. Direct een warboel van agressieve stemmen Arabisch, Frans, Engels, straattaal. En tot slot een krantenjongen die rustig iets in het Marokkaans zegt, dat klinkt als: “gaan jullie effe opzij, zodat ik er door kan” en op zijn snorfiets stapt.
Geen treinen rijden er nu. Ook de horeca aan de overkant van de vaart, waar de deuren vaak open staan terwijl een duizendtal bezoekers urenlang hopsen op dancemuziek is op een doordeweekse dag in de winter gesloten.

 

 

 

 

Alleen als het heel hard stormt, vliegen er vliegtuigen met veel lawaai laag over ons huis en de binnenstad. Maar het is windstil. Geen sirenes van auto’s die over de Kattenburgerstraat naar de A10 of via de IJtunnel naar Noord rijden.
DSC_3375 klein#
De zeeleeuwen en wolven in Artis houden zich koest en de slingerapen zijn binnen.
Het nest van de eksters is door de flinke winterstorm uit de boom gewaaid. De laatste takjes hebben ze meeverhuisd naar een steviger boom. Geen klein vogeltje te horen. Onze eigen merel dacht een paar weken DSC_5540 kleinterug dat het al lente werd, maar is nu tot bezinning gekomen. Geen krijsende meeuwen die eindeloos zeilen, geen overvliegende ganzen of andere trekvogels.

De zwarte kater van de overbuurvrouw, die meestal de hele nacht als een sfinx op mijn balkonrand zit, omdat hij een oogje heeft op de stokoude poes van de buren, zat gisteren luid te janken. Recht voor mijn deur. Zijn baasje is net als de meeste buren “even op vakantie”. Miauwen kon je het niet noemen; het was ook geen krols geschreeuw. Ik deed de deur open: “Beer, nu ga je naar Klaasje of je gaat naar huis”. Langzaam stapte hij huiswaarts. Nog lang zat hij op mijn stoep te huilen. Daarna heb ik hem niet meer gehoord of gezien.

#
Mijn massief houten kasten kraken.
Ik bedenk dat ik met deze vorst de verwarming op mijn slaapkamer een beetje aan moet doen. Terwijl ik aan de radiator draai, kijk ik even naar buiten.
DSC_5253 kleion
Ik zie licht aan in huis van de jongens die in de horeca werken. Zeker net thuis gekomen.
Ik zie de spiegeling van licht van mijn nieuwe bovenburen in de ruiten aan de flat aan de overkant. Die zijn anders altijd al ver voor twaalf uur in slaap.
Ik zie licht aan bij het gezinnetje dat voor de zomer woningruil heeft gedaan in de sociale woningbouw. De politie deed de dag erna buurtonderzoek en vertelde dat de mensen die naar Noord-Holland zouden verhuizen drugscriminelen waren.
243kleinIk zie geen licht aan bij het huis waar altijd als enige de hele nacht het licht brandt. Een gezin met zoons, die hier opgegroeid zijn, maar waar nog steeds niemand contact mee krijgt. De laatste dagen hadden zij een rode kaars branden voor het slaapkamerraam.
Ik zie een licht vanuit mijn flat spiegelen aan de overkant, dat ik nog nooit heb gezien.
Aan de overkant branden in vier flats al dagen ’s nachts het licht permanent.
#
222kleinMet al die lichten aan lijkt het al na 7.00 uur, maar het is nog vóór 3 uur.
Ik doe mijn licht uit en probeer weer te slapen. Maar het is zo stil!.
#

 

 

 Ayman en Mo rust zacht.
Jullie hebben zo je best gedaan voor onze buurt.

Ayman Mouyah doodgeschoten op Kattenburg 22 november 2017
Mohammed Bouchikhi doodgeschoten in het Speeltuingebouwtje op 26 januari 2018
Allebei jonge stagiaires van het buurthuis “de Witte boei”.

(Nadat in veel flats in onze buurt, ook mijn eigen flat, kogelgaten zitten
en op
26-1-2018 zwaar bewapende mannen in bivakmutsen de speelplaats vol met kleine kinderen zijn over gerend en in het speeltuingebouwtje waar drie workshops voor kinderen bezig waren, als gekken hebben geschoten, komt de politie eindelijk in actie.
De situatie voorjaar 2018:  De talrijke kinderen en  jongeren die altijd onze straten bevolkten, durven evenals hun ouders niet meer op straat. Op diverse plekken staan politiecamera’s en politieauto’s. De  helikopters komen af en toe weer over)

 

 

(36) “Jodenbreestraat”, Wonen in Amsterdam 4

Zwart/wit foto’s  zijn van mij uit 1971 (tenzij anders vermeld)
Kleurenfoto’s uit 2017

Het woord “Oorlog” was bij ons thuis taboe.
In mijn jeugd was dat toch niet zo in alle gezinnen.
Het enige feest, waarbij niet alleen familie, maar ook veel buren en vrienden werden uitgenodigd, was de verjaardag van mijn vader. Het was gezellig, een wijntje, sigaren en sigaretten voor ieder op tafel. Moeder had schalen met hapjes gemaakt. En in no time gonsde het woord oorlog rond. Meestal stoere of grappige verhalen.
Na enige tijd moest altijd iemand uit het bezoek opmerken: “Ik heb Karel al een tijdje niet gezien, wat doet hij?” En dan gingen ze hem zoeken. Dat hadden ze maar beter kunnen laten, want wij wisten wel waar hij was. Hij had zich ergens boven met een paar flessen wijn opgesloten. Dat was weer het einde van vaders verjaardag.

Pa, ma en mijn zus in 1973
Het woord “Amsterdam” was hierdoor ook taboe. Ik wist natuurlijk wel dat mijn broer in Amsterdam was geboren, maar daar werd verder niet over gesproken.
Ik heb als kind een keer een zucht van mijn moeder gehoord: “Zondags naar de Jodenbreestraat…” Alsof het haar mond was ontsnapt, terwijl ze het zelf niet gezegd had. Ik wist dat de hele zin was: “Zondags gingen we naar de Jodenbreestraat taartjes eten”. Maar dat werd niet gezegd, want het was blijkbaar niet de bedoeling dat het gezegd werd.

Ik met ma in Amsterdam (2009?), foto door broer Jan

Pas toen ikzelf in Amsterdam woonde, maar vooral toen we met de stokoude oma nog vijf keer kerstmis in Amsterdam vierden (alle kleinkinderen woonden daar) drong tot me door wat een heimwee mijn moeder moet hebben gehad naar het Amsterdam van voor de oorlog.
Pas na haar 97e jaar heeft moeder me er een paar keer uitvoerig over de oorlog en daarvoor in Amsterdam verteld. (daarover latere blogs en zie blog: “Wonen in Amsterdam 1”)

Centraal Station 1940 (?), kaartenboekje van mijn ouders

De “Jodenbreestraat” van mijn moeder strekte zich uit vanaf het Centraal Station naar Artis.
Vanuit zeldzame verzuchting van mijn moeder is bij mij het beeld ontstaan dat heel Amsterdam op zondag na de mis of kerkdienst naar de Jodenbuurt trok. Een brede strook van flanerende mensen in hun zondagse kleding. Ze keken in de etalages van de boekwinkeltjes.  Ze aten, als er iets te vieren was, viskoekjes of gemberbolussen en dronken spuitlimonade. Er was Variété bij Schiller of op de Zeedijk. Vanuit de kroegen klonk vrolijk samenzang. Karaoke hoefde niet, want ieder kende de tekst. En buiten zongen de mensen gratis mee. Je kon, als je het geld er voor had, de nieuwste film zien bij De Smet en misschien een heel enkele keer bij Tuschinski.
En dan urenlang met mijn vader gearmd scharrelen op het Waterlooplein.

Foto van moeder: Kinderbewaarplaats aan de Plantage Middenlaan.
“De Jodencrèche was toen een walhalla van moderniteit”. Voor moeder als studente Kinderverzorging en Opvoeding een heerlijke werkplek. (september 1934- februari 1935)

Het Amsterdam van mijn studentenjaren was vervallen en verkrot. Natuurlijk niet zo’n puinhoop als toen mijn moeder Amsterdam in 1944 verliet. Het was een genot om mijn moeder in de rolstoel door Amsterdam te sjouwen. Voortdurend riep ze: “Wat is het mooi geworden!” “Laten we dat nauwe steegje nemen, dan komen we zo weer terug op het Damrak.”  “Niet te geloven, zelfs hier is alles geschilderd!”

Waterlooplein (1940?), kaartenboekje van mijn ouders
Voor ons jongeren en voor alle vreemde vogels in Amsterdam was het fijn dat in de jaren ’70 de naoorlogse wederopbouwplannen nog niet waren voltooid. Op de grachten zouden nieuwe zakelijke kantoorpanden verijzen. We vreesden een toekomst van de binnenstad als één grote Wibautstraat doorkruist met metrolijnen.

Dat moest anders!
De dicht getimmerde koopmanspaleizen aan de grachten, de gierende wind door de vervallen Oosterkerk. De hele verkrotte binnenstad daagde uit om wereldverbeteraar te worden.
Zo werd Amsterdam van Provo- tot Krakersstad.


In de Moses en Aaronkerk was een theetuin, waar ondanks of dankzij de wietlucht ieder naar hartelust creatief kon zijn.
Waartoe dient al dit hout aan de Zwanenburgwal? (tegenover Waterlooplein)
Er waren wel overal schuttingen en dichtgetimmerde ramen. Of zijn het nieuwe vloeren?
Aan de Keizersgracht.

Nieuwe Herengracht

                        
Rapenburgerstraat

Waterlooplein
Het Waterlooplein was ontruimd, maar de bouw van de Stopera liet nog even op zich wachten.
Ik heb toen een serie foto’s gemaakt die erg populair was onder mijn vrienden. Vooral vanwege de enorm hoge sprongen van de skaters. De foto’s heb ik toen weggegeven of als briefkaart verstuurd met het idee: ik druk ze nog wel een keer af. Nu weet ik niet meer waar die negatieven zijn…
Deze foto is als enige is overgebleven (1976?).
Als iemand nog foto’s heeft, die door mij in die tijd gemaakt zijn , wil ik ze graag inscannen.
Waterlooplein vanuit de Stopera 20-12-2016
Waterlooplein gezien vanuit de Jodenbreestraat.Waar deze mensen zo gezellig op de trappen zitten was in de jaren ’70 het Maupoleum.
Een gebouw in de stijl het modernisme van die tijd.
Door de Amsterdammers zo genoemd naar de eigenaar Maup Caransa, toen de grootste speculant in de binnenstad. Het werd gehuurd door de Universiteit van Amsterdam o.a. voor de faculteiten aardrijkskunde en economie.
Ikzelf was actief in de studentenbeweging en had aardig wat ervaring met het bezetten van universiteitsgebouwen. De bezetting van het Maupoleum was echter de kortste die ik ooit heb meegemaakt. We hadden ons verzameld in de voetgangersonderdoorgang van de mr Visserplein en kwamen makkelijk via de achterkant binnen en gingen naar boven. Maar al heel snel was er beneden iemand die de airco, verwarming en luchtverversing uitzette. In het Maupoleum kon geen een raam open. Er kon ook geen ruit worden stukgeslagen. In no time moesten we allen met barstende koppijn naar buiten. Het Maupoleum bleek een onneembaar fort.
In de avonduren was de open gevel een onderkomen voor junks en daklozen.
In 1994 is het afgebroken.
Het idee van de Binnenstad als één moderne snelweg was daarmee voorgoed verleden tijd.

Een zonnige dag in de  “Jodenbreestraat”  26-8-2017

 

 

Ook kleinere foto’s worden uitvergroot door aan te klikken .

(35) Mosul 1973 Een onbezonnen reis naar de Hitte, deel 1: (Wonen in Amsterdam 3, zomers weg)

Mosul: Nu augustus 2017: veroverd door IS en totaal vernietigd, Toen een stad om terug te komen.
Mosul , Tigris
In 1973 had ik een vriend die met zijn volledige studiebeurs verreweg de rijkste was van mijn vrienden, maar voor juni al geen cent te makken had, terwijl in september de volgende uitbetaling was. Daarom gingen we op reis. Uit ervaring wist ik: twee of drie dagen liften naar Istanboel en dan koste het leven niet veel.
De studieboeken in de rugzakken en ons tentje opgezet aan de Zwarte Zee. Tussen de boeken had ik Herodotos in pocketuitvoering. Omdat we nu toch in de regio waren vonden wij beiden dit het leukste leesvoer. Uiteindelijk besloten we in de voetsporen van Herodotus te treden en verder op reis te gaan. Kris kras liftten we op de bonne fooi door Turkije om oudheden te bezoeken.

Migrantenfamilie in boomgaard, Platteland bij Kayseri

Oost Turkije
Aangekomen bij de Oostgrens lokte het “Land van Melk en Honing”, waar volgens Herodotos de druiven zo groot zijn als pruimen en de meloenen meters lang. We waren in Amsterdam nog zo gewaarschuwd: “Ga nooit in de zomer naar Irak”.
Daar op dat kleine stationnetje stond een schattig treintje naar Mosul…..
Toen we in Mosul uit het station stapten, zagen we een koperen kraan. Omdat we best wel dorst hadden, stapten we daar op af. Maar we werden tegen gehouden door twee jongetjes die in onze beide handen een meloen stopten. Ze gebaarden ons de kraan niet aan te raken, want we zouden onze handen verbranden.

Zicht vanuit ons hotel
Mijn vriend werd onwel en wilde geen stap meer verzetten. Hij bleef zitten bij de rugzakken. Een man gebaarde dat ik hem moest volgen voor een hotel. Springend van schaduw naar schaduw de wapperende wollen rokken volgend, kwam ik inderdaad aan bij een hotel. Alleen, het zat bomvol. Dat was geen probleem want na 16.00 uur was er zeker plaats. Wat bleek? In Mosul huurden zakenlieden overdag een bed om hun siësta te doen. ’s Nachts is het koeler en sliepen veel mensen onder bomen of op daken. Mijn vriend werd opgehaald en wij waren onderdak. Het hotel was enkele passen van de Tigris.

De Tigris vanaf de weg, die langs ons hotel liep
De eerste avond zochten we verkoeling op een soort boulevard. We werden aangesproken door jonge mannen die zeiden: “Please excuse me Sir, Do you want to be so kind, I want to practice English conversation…” We waren met stomheid geslagen. Meer dan 6 weken waren we door Turken aangestaard als of we aliens waren en hier hadden we gelijk contact. De meeste mensen waren Koerd en waren blij dat met de nieuwe president Hasan al Bakir en vice president Saddan Hoessein weer Koerdisch onderwezen werd op scholen en universiteiten.
Iedere avond gingen we naar de boulevard om op de bankjes te discussiëren met Irakezen.

De volgende dag lukte het om een reisgids te bemachtigen.
Natuurlijk was het ons doel om naar Ninive gaan. Dat was aan de overkant van de Tigris op ongeveer drie kilometer afstand.
We hadden gelezen dat er prachtige tuinen waren, waar je thee, frisdrank en sandwiches kon krijgen. We maakten het plan om ’s morgens om 6 uur te vertrekken die kant op. Want een uur later was het al te heet om een stukje te lopen.
Iedere nacht moesten we de randen van ons ijzeren bed goed omwikkelen met laken, anders schrok je verschrikt wakker als je het loeihete ijzer aanraakte. Ook moest ik dag en nacht de natte theedoek om mijn fotorolletjes verwisselen, want die was na drie uur kurkdroog.
Iedere dag opnieuw werden we niet om 5 uur wakker en was het al te heet om zover op stap te gaan.

We sjokten door ons straatje, waar de enorme pannen met darmensoep gezellig pruttelden. Zelf lieten we deze gewilde lekkernij aan de locals over en namen meestal brood met spiesjes schapenvlees, een bos peterselie en laban. Laban, een frisse joghurtdrank kreeg je in plastic slakom en moest je met een soepopscheplepel in je mond gieten. We namen samen één portie vlees. Dan hadden we ieder 3 ½ stokje, meer dan genoeg. Van alle kanten werden er stokjes met stukjes lamsvlees op onze bordjes gelegd, zodat we al gauw ieder een hele berg hadden. Het is tenslotte het land van overvloed en dan mogen gasten toch niet te weinig eten…
Zo verging het ons iedere keer. En kwamen we de eerste dagen niet verder dan ons eigen straatje.
Maar op een dag gingen we met een taxi naar de kamelenmarkt.

De meloenen, soms zo groot dat ze alleen door een tractor met shovel te tillen zijn

Het maakte Iraki’s niet uit of ze in de schaduw zaten of niet. Ons wel!
Het was er te warm om te fotograferen. De lucht zinderde, daar krijg je bewogen foto’s van.

Pluimvee wordt met water besprenkelt. Mensen kunnen beter tegen de hitte dan vogels…

Ik weet niet of ons hotel op deze officiële lijst stond. Alle straatnamen waren in het Arabisch.
We hadden geen water op de kamer en in de gezamenlijk douche stond frisdrank tot aan het plafond opgestapeld. Maar het was er schoon, gastvrij en veilig voor ons en onze bagage.

Op de zevende dag besloten we een taxi naar Ninive te nemen. We konden dan het heetst van de dag doorbrengen in de beschaduwde theetuin die er volgens de toeristenfolder zou zijn.
Wat we zagen toen we uit de taxi stapten, was indrukwekkend.



Op dit plaatje uit de folder is te zien groot alles was.
Maar we zouden zeker van dorst en hitte zijn omgekomen als de bewaker die er met zijn gezin woonde, ons geen onderdak had verschaft voor die dag.


Vanuit Ninive vingen we een glimp op van het platteland. Gedeeltelijk is het nu volgebouwd met flatwijken, die door het oorlogsgeweld vernietigd zijn.
Het was voor ons duidelijk dat we met de temperatuur van 55 C niet konden liften door Irak.
Over onze reis per vliegtuig naar Bagdad, per minibus naar Babylon en per trein naar Basra komt misschien nog een blog: deel 2 van de onbezonnen reis naar de hitte.

Irak is voor mij het land van het verlangen. Altijd het plan om terug te gaan als de temperatuur het toelaat om er te reizen. De bron van onze beschaving, 3500 voor christus. Al die prachtige indrukwekkende dingen die daar in of onder het zand liggen. Met de mooiste en vriendelijkste mensen van de wereld. Maar ja, oorlog…..

Een laatste blik op Mosul. Vanaf het vliegveld?????

Door foto’s aan te klikken worden ze uitvergroot.

 

 

 

(34) Wonen in een havenbuurt. Hoogte Kadijk 82, 1969 – 1972 (Wonen in Amsterdam 2)

Zwart/wit foto’s zomer 1971, kleurenfoto’s voorjaar 2017 (behalve onderstaande foto uit 1973)
Klaas en Hans verhuizen mij van de Hoogte Kadijk naar hun onbewoonbaar verklaarde woning.

Mijn eerste adres zonder hospita.
Niet meer ‘s nachts buiten gesloten worden als ik na half elf ergens naar toe was gegaan. Zoals in de Watergraafsmeer. Mijn bezoek werd niet meer om 10 uur weggestuurd, zoals bij een hospes in de pijp. Nu huurde ik een woning rechtstreeks van een huisbaas. Dat voelde pas echt volwassen.
Ik genoot van de vrijheid. Ik schilderde vloer blauw en de kozijnen rood en spande de Nederlandse vlag als “deur”tussen de keuken en de kamer. De kamer was 1,90 bij 1,95. Mijn eenpersoonsbed en stalen boekenkast en één van de eetstoelen van de overleden hospita paste er precies in. De helft van het tafelblad uit mijn oude kamer legde ik op de leuningen van de stoel. Zo had ik een “bureau”, waarop ik kon typen. Het “bureaublad” lag meestal op mijn bed, als ik er niet zelf in lag. Als ik op de stoel ging zitten, plaatste ik het blad op de leuningen. En voor ik opstond moest ik mijn blad weer oplichten. Dat moest ik enige keren per uur herhalen, omdat de woning zo schuin was, dat regelmatig een balpen of potlood op de grond rolde. Met de Aladin, een rond oliekacheltje was de inventaris compleet. De muur achter het bed had ik beplakt met een dikke laag kranten en affiches, maar toch was deze altijd zeiknat. (zie brief aan de huisbaas)

Aan de noordkant van de dijk is alleen mijn “oude”huis afgebroken en door nieuwbouw vervangen.

Het vloeroppervlak van de keuken was 65 cm bij 3 meter. Daar stond een kookstel en waren een paar ingebouwde houten kastjes voor bordjes en kopjes. Het maximum aantal mensen dat in mijn woning paste was 22. Op mijn verjaardag tijdens de “Nieuwmarktrellen” zaten we met twee rijen dik op het bed, nog twee rijen er voor en ook de keukenvloer was vol. Mijn vriendenkring bestond zowel uit krakers als uit CPN-ers, maar het bleef toch heel gezellig, omdat iedereen met opgetrokken knieën bij elkaar op schoot zat en de hapjes vanuit de keuken over de hoofden heen moesten worden aangereikt.

Anders dan de buren.
Hoewel op Kattenburg de studentenflat al stond, was op de Hoogte Kadijk het begrip student volledig onbekend. Met de buren kreeg ik niet echt contact.

Aan de achterkant hingen waslijnen van huis naar huis en tijdens de afwas zong ieder vanuit het open raam liederen van de zangeres zonder naam. De mensen konden er heel goed zingen. Boven de werkplaats van autobedrijf Christo,  waar zoals op veel plaatsen in de stad toen, auto’s werden gerepareerd, was een Soos. En iedere vrijdag en zaterdag hoorde ik ze daar zingen tot midden in de nacht. Ik ben een paar keer alleen of met vrienden, de trap naar de Soos op gegaan, maar werd niet binnengelaten.

Hier was de garage Christo, toen wit geschilderd met daar boven de Soos.
Ik woonde als meisje alleen, zonder kind, was geen prostituee, ik was niet het vriendinnetje van de huisbaas en hield me ook niet met zijn illegale handel bezig, die mijn nachtrust verstoorde.
De bewoners van de Kadijken begrepen echt niet waarom ik daar woonde.

Mijn buurvrouwen lapten de ramen buiten terwijl hun kind naast hen in een tuigje vastgebonden in de kinderstoel zat. Vaak continue blèrend. Ik had dan de neiging om de baby een speeltje te geven tegen de verveling en apathie, maar durfde het niet. De iets grotere kinderen knikkerden in de goot. Sommigen hadden schurft of ringworm, in ieder geval grote kale plekken in hun haar. Ergens anders in Amsterdam heb ik dat ook later nooit meer gezien.

Het voorkamertje dat eigenlijk bij de woning hoorde was een tijd verhuurd aan een moeder met een tweeling van 7 jaar. De kinderen sliepen op tafel en de moeder er onder. De hele nacht door was het er een komen en gaan van mensen die met klopsignalen binnenkwamen.
Niet alleen kon ik alles horen omdat de andere kamer alleen door hardboard gescheiden was, maar op mijn deur werd ook vaak ’s nachts geramd. Die heb ik dus goed op slot gehouden.

Nog een beetje Haven.
Waren de bewoners van Kattenburg en Wittenburg havenarbeiders of handwerkers in de scheepsbouw, het beroep van mijn buren, die rondom het Entrepotdok woonden was minder duidelijk. Ik vermoed dat hun ouders en voorouders hun brood hadden verdiend met smokkel van drank en sigaretten en andere waar in het Havengebied. Het Entrepotdok was een sinds ongeveer een eeuw vrijhandelszone. Daarom was er toen een muur rondom gebouwd. Binnen de muren was een soort buitenland. Daar gold niet de Nederlandse wet en belastingen. Daar konden goederen vanaf de schepen zonder accijns of belasting rechtstreeks van de zeelui gekocht worden.
Het Entrepotdok zelf was, toen ik daar rechtvoor woonde, nog maar gedeeltelijk in gebruik. Vanuit mijn raam zag ik de hoge stenen muur en daarboven de klapperende houten luikjes van de lege pakhuizen.

De Pakhuizen van Het Nederlandsche Veem recht tegenover mij op de Hoogte Kadijk waren wel nog volop in bedrijf. Dagelijks werden daar goederen afgehaald, die door schepen via de Nieuwe Vaart waren aangevoerd. Ik stalde daar altijd mijn fiets. Als ik dan mijn fiets van het slot haalde, hielden de stoere havenarbeiders natuurlijk onmiddellijk op met hijsen. Een spervuur van opmerkingen daalden dan op mij neer.
Ik was voor mijn verdere leven goed gepokt en gemazzeld om alle opmerkingen van mannen te pareren.
Ik hield van deze bedrijvige havenbuurt met de vele kleine winkeltjes en vooral de vele kroegen en koffiehuizen. Al nam ik er als student niet echt deel aan. Overdag was ik op de universiteit of de bibliotheek of studeerde ik beneden aan de Durgerdammerdijk. Na de Mensa s’avonds ging ik vaak nog even bij vrienden langs, naar een vergadering of naar Olofspoort.

En als ik dan in de vroege ochtend thuis kwam, was het een komen en gaan bij de koffiehuizen of kroegen in de souterrains. Op het Kadijksplein stond het Zeemanshuis. Ondanks het donker of schemer was het dan in deze buurt een drukte van belang. Ik heb nooit de moed gehad om als meisje alleen een trapje af te dalen om daar een kijkje te nemen. Gingen de mensen in het donker van daar uit na een bak koffie of met een neut op aan het werk?

***

In het blog waarin dit verhaal vervolgd wordt  “Baden in de jaren 70” ga ik over de Kattenburgerbrug.

BRIEF AAN DE HUISBAAS:

  

(33) “Ergste in de oorlog”. Wonen in Amsterdam 1


                                                                          Moeder te midden van haar vriendinnen voor de oorlo
g

Dit nieuwe fotoblog gaat niet specifiek over oorlog, maar over van alles en nog wat dat ik mij herinner, terwijl ik woonde in Amsterdam. Af en toe kijk ik vanuit een actuele gebeurtenis terug op hoe het vroeger was. Mijn moeder heeft van 1933 tm 1944  in Amsterdam gewoond en ook haar verhalen ga ik  delen. Zij heeft zelf prachtige “kiekjes” gemaakt.

Nu het bijna 4 en 5 mei is, staat deze blog in dat teken.

Ik vroeg mijn moeder eens:
Moeder, wat vond u het ergste van de oorlog?”

                                                                                                          
                                                                                                                                                    ma in 2009

Ze had me al verteld dat ze het vreselijk vond dat er lange rij joden voor de Hollandse Schouwburg stond.
“Je zou ze mensen er wel uit willen rukken en mee naar huis nemen. Of roepen: Ren weg: In Duitsland is niets dan onheil. Maar dat kon natuurlijk niet”. Ze fietste liever een uur langer om de Plantage Middenlaan te vermijden, dan dat ze die aanblik duldde.

**

Of was het die vreselijk schoonvader die kwam inwonen toen je hoogzwanger was ?
De Duitsers hadden hem bij je op de stoep afgeleverd omdat soldaten in het bejaardentehuis werden geïnterneerd.

                                                       
                                                  1940                                                                                                     1940

**

Of was het het moment dat je met kraamkoorts in het kraambed in OLVG lag, drie dagen na de bevalling van een tweeling ?  Een non die zegt:. “Die tweede koffer kleertjes hebben we maar weggegeven, die heeft u toch niet meer nodig”
Waaruit je moet afleiden dat één van je kinderen is overleden, maar het zal nog wel even duren voor je weet wie van de twee

**

Of dat je thuis komt met de baby:
45 dagen heb je braaf de moedermelk aan de non gegeven. Een vluchtige blik uit de verte in de couveuse van het olvg of jouw kind nog leeft. Want veel baby’s overleefden de nacht niet. Je hebt de non bij de ingang van de couveuse ruw weggeduwd en bent naar het wiegje gerend en hebt je kind meegenomen.
Thuis blijkt dat het kind dag en nacht huilt…
En dat met een echtgenoot die klaar staat ook je tweede kind naar het graf te brengen.
Huilende kinderen zijn maar lastig in de oorlog.

3 maanden later:  maart 1943

**

Je lievelingsbroer zit in het gijzelingenkamp, waar hij als bekende Nederlander ( voor anderen Anton van Duinkerken)  ieder moment volkomen onverwachts kan worden neergeschoten.
Als vergeldingsactie voor verzetsdaden.

**

Was het ergste dat je je mijn hele jeugd schuldig voelde omdat vader altijd last had van zijn darmen. Je had van die fantastische gerechten weten te brouwen van suikerbieten en bloembollen zonder vet of olie.

**

Of was het het moment dat je op de stoep van je nieuwe huis zat te huilen in een stad in het zuiden. De huisarts heeft je net verteld, dat je kind ondervoed is en op korte termijn vleesbouillon moet krijgen omdat het anders doodgaat. Je kent er niemand en alle buren denken dat je NSB-er bent.

**

Je vond het zo angstig om te leven met een vals paspoort.
Dan liever Amsterdam waar je je Ausweis in een schildpad kokertje bij je droeg, zodat je dat onmiddellijk te voorschijn kon halen. Anders mocht je toen in Amsterdam met je kleine postuur en ravenzwart haar niet in de tram of de bakkerswinkel.
                                        
                                                                                                          1941?

**

Of was het dat zelfs Bevrijdingsdag geen feest was. Dat je op de dag van de bevrijding van Breda, je kind dat voor jullie uit huppelde uit het vuurlinie moest trekken. De volgende dagen zaten jullie in huis opgesloten, omdat jullie dachten schoten te horen.

**

Dit was het antwoord van mijn moeder:
“Het allerergste van de oorlog vind ik, dat ik een keer het gevoel heb gehad dat ik een mens van uit de grond van mijn hart dood wenste. Je weet niet wat voor gevoel dat is. Dat wil ik echt nooit, maar dan nooit meer beleven.”

“We stonden met zijn allen op de stoep voor mijn huis. De Blauwburgwal.
Er was een Duitse soldaat in de gracht gevallen en hij kon niet zwemmen. We stonden daar op de stoep te kijken hoe die man spartelde. En we stonden allemaal hard te lachten en niemand deed iets. Uiteindelijk hebben andere Duitsers hem er uit gehaald.

Stel je toch voor: een onschuldige jongen!
Ik wist helemaal niets van hem. En ik wilde dat hij voor mijn ogen dood zou gaan.
Dat was voor mij echt het allerergste moment van de oorlog.”

Zo was mijn moeder.
Wie ze was en waarom ze naar Amsterdam was gekomen, vertel ik in volgende blogs.
                                            

**

Slot, Iran 10 (blog 32)

Dit is een wat abrupt slot. Ik had nog  wat blogs klaarliggen o.a. over “Martelaren” en “Arm en Rijk”, maar het kost me te veel tijd om alles wat ik schrijf op waarheid te controleren.
Daarom plaats ik hier een column van Carolien Roelants uit de NRC van 22-4-2017 .
Blijf vooral haar columns lezen.

 


(Deze foto’s zijn van de NRC. Hieronder nog wat fotootjes van mij .)

vraagje: waarom is Iran toch zo’n dodelijk gevaar?

“In Teheran, waar ik niet helemaal toevallig ben, is het een stuk lekkerder weer dan bij u in Nederland, en in het prachtig onderhouden Lalehpark zitten jonge mensen gezellig op het gras wat te praten. Ik weet niet of het de winkeliersvereniging of de gemeente is, maar tussen het postmuseum en het Golestan-paleis heeft iemand zorgvuldig goudsbloemen geplant rond de bomen. Groepen toeristen slenteren door de straten.

Welkom in Iran, het land dat een leidende staatssponsor is van terrorisme
Althans volgens de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Rex Tillerson. Die bevestigde vorige week dat Iran zijn verplichtingen onder het nucleaire akkoord met de wereld nakomt. Je zou kunnen denken dat naleving van het nucleaire akkoord enige ontspanning zou produceren. Maar nee. Tillerson voegde eraan toe dat „Irans provocerende acties de Verenigde Staten, de regio en de wereld bedreigen”. Washington gaat de komende drie maanden eens goed kijken of opheffing van sancties wel in het Amerikaanse veiligheidsbelang was.
In de tussentijd dreigen al nieuwe sancties. Het Congres wil Boeing verbieden nieuwe vliegtuigen aan Iran te leveren, waarvoor Obama toestemming heeft gegeven. De Iraniërs zouden er wel eens oorlogshandelingen mee kunnen verrichten. U weet dat Airbus in dat geval ook niet mag leveren, wegens zijn Amerikaanse onderdelen. Het Congres wil ook de Revolutionaire Garde, de waakhond van de islamitische revolutie, op de terreurlijst zetten. Dat laatste zou in feite alle economische voordelen van het akkoord voor Iran naar de prullenbak verwijzen. De Garde heeft zich namelijk in de Iraanse economie ingegraven. Wie met een van haar vele bedrijven zaken zou doen, zou dan op enorme boetes moeten rekenen.
Het vooruitzicht van zo’n ontwikkeling heeft al een verkillende invloed gehad op de internationale handel met Iran – grote bedrijven kunnen zich geen ruzie met de VS permitteren. Overigens heeft het akkoord de Iraanse economie hoe dan ook nog niet veel opgeleverd. De jeugdwerkloosheid is gestegen tot 30 procent – die gezellige meisjes en jongens op het gras in het park zijn waarschijnlijk werkloos.

Maar daar kom ik later nog wel eens terug. Mijn punt vandaag is een vraag, of liever twee vragen.
1) Waarom blijft Derde-wereldland Iran voor Amerika zo’n dodelijk gevaar? Kennelijk gevaarlijker dan de Islamitische Staat, want daarover hoor je nauwelijks meer uit Washington. Waar blijft dat geweldige plan van Trump om IS met wortel en tak uit te roeien? Hè? Hè?
U zegt nu: de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran. Maar waarom is die bezetting dan zo traumatisch en het Saoedische aandeel in de aanslagen van 9/11 niet?
En vraag 2), als Iran terroristisch is, is Saoedi-Arabië dat dan niet, dat van Indonesië tot Nederland radicalisering van gelovigen in de hand werkt met ruime financiële ondersteuning van scholen en moskeeën? Zie de NRC van zaterdag.
Maar zoals minister Tillerson Iran verketterde, zo prees zijn collega van Defensie Mattis tegelijkertijd Saoedi-Arabië de hemel in als een land dat zijn verantwoordelijkheden als leidende mogendheid in de regio op zich neemt.
Ja ja. Kennelijk door de infrastructuur van het arme buurland Jemen nu al twee jaar plat te bombarderen.
Op vraag 2) heb ik ook geen antwoord. Lucratieve wapenleveranties kunnen maar een deel van de verklaring zijn. Ik hou me aanbevolen. Begrijp me goed, het Iraanse regime is repressief en steunt volstrekt foute vrienden in de regio. Maar bedreigt het de wereld? Nee.”
Tot zover Carolien Roelants.

                                                                                                                                                Graf van Hafez

UITZICHT VANUIT HOTELS:
Toegift. Alle foto’s van de blogs kan je door op te klikken vergroten.
KASHAN                             6.30                                                                    14.30


ABYANEH                          6.30                                                                     12.30
.
ABYANEH                                        16.30                                                                     17.40


ISFAHAN


SANANDAJ                      9.45                                                                17.15

SHIRAZ                            7.00                                                                9.30


TEHERAN                       10.30                                                          17.00

TEHERAN                      17.30                                                            18.00


RAST                              10.00                                                                 17.30


YASD                         7.30                                                                    17.30


TAKAB                                                       7.00

Dit is voorlopig het einde van het blog over Iran.
Het volgende thema is “Wonen in Amsterdam”
Ik ben niet op reis, maar deel mijn herinneringen over wat ik beleefde in Amsterdam vanaf 1968 met oude en nieuwe foto’s.
En de verhalen van mijn moeder over wonen deze stad vanaf 1933 tm 1944 met de foto’s die zij gemaakt heeft.