Blog 66: Wittenburgers, die niet meer op Wittenburg wonen, een stukje geschiedenis van MGW.

Een festival na 2000

Binnenkort is weer het kerstconcert van MGW, Muziekgezelschap Wittenburg.
Nu is dat een gezellige muziekgroep, maar toen ik er in begon, was het een serieuze formeel georganiseerde harmonie waarbinnen je nog muziekdiploma’s kon halen.
Nadat ik 15 jaar met mijn piccolootje fantastische avonturen had beleefd met de Fanfare van de eerste Liefdesnacht, kon ik eind jaren ‘90 zes keer optreden in een weekend niet meer combineren met een nieuwe studie, kostwinnerschap en een opgroeiende puber.
Toen vroeg een buurman mij of ik in MGW, Muziekgezelschap Wittenburg, kwam spelen: Ze speelden zo’n mooi stuk, waarin twee dwarsfluiten een belangrijke rol speelden: De musical Miss Saigon. En ze hadden maar één fluit. Inmiddels had ik een nieuwe dwarsfluit gekocht, die niet lek was https://mariabervoets.wordpress.com/2021/10/02/blog-55-swing-een-hommage-aan-evan-bouman-of-hoe-ik-begon-met-fluitspelen/ maar kon geen fluitleraar vinden en speelde nu ook geen piccolo meer.
Dus werd ik tweede fluitiste. Op de repetities tenminste. Ik wist toen nog niet dat de eerste fluitiste nooit op optredens zou komen opdagen door ziekte of familie-omstandigheden. Dus MGW was toen wel een extra uitdaging voor mij.

Een nieuwjaarsconcert onder leiding van Vincent

Twee weken na mijn entree in de club was het jaarlijkse uitje, een hele dag varen over de Vecht. De buurman en ik gingen mee in de hoop de andere leden van het Muziekgezelschap te leren kennen.
Dat viel toen wel een beetje tegen. Het was een gesloten rondvaartboot zonder buitendek met vaste tafels met stoelen erom. Mijn buurman en ik werden aan een tafeltje achterin bij de ingang geplaatst. Voortdurend brachten dames ons schalen met leverworst en kaas, maar hoe kwamen we in contact met de anderen die een eindje verder aan volle tafels zaten? We stonden wel op en keken tegen de ruggen aan, maar zij hadden hun echtgenoot en kinderen mee en waren niet in ons geïnteresseerd. We wisten al dat er hele families in het orkest speelden. En even later zouden we ontdekken dat die paar families onderling door huwelijken met elkaar verbonden waren. Wij als bewoners van Wittenburg waren vreemden op een familiefeestje.
Na een paar maanden meespelen, had het orkest ons in de familie opgenomen, die ook voor ons hartelijk en warm was. Olaf en ik waren toen de enigen die op Wittenburg woonden.

Op koninginnedag speelden we evergreens uit de dertiger jaren in bejaardentehuizen.

Dat was voor mij wel indrukwekkend: niemand van het Muziekgezelschap Wittenburg woonde toen op Wittenburg. Ze voelden zich allemaal echte Wittenburgers, want ze waren er geboren en getogen. Vóór de wijk Wittenburg werd plat gegooid hadden ambtenaren besloten dat niemand van de oorspronkelijke bewoners zou terugkeren op op het schiereiland.
Op Kattenburg waren veel bewoners van het oude Kattenburg teruggekeerd en die hadden hun beruchte strijdbaarheid niet verloren, al woonden ze nu in prachtig nieuwe woningen in plaats van krotten. Die fout wilde de gemeente geen tweede keer maken. De bewoners van Wittenburg kregen bij de sloop een woning aangeboden in de toen aangewezen overloopsteden zonder het recht om te terugkeren naar hun oude buurt. Daardoor woonden de leden van MGW in Purmerend, bij Gouda of Lelystad, en een heel enkele in Amsterdam-oost. Dat was ook de oorzaak dat het ledenaantal, toen ik er bij kwam, snel minder werd. Uit Lelystad kwam in een vol busje muzikanten, maar toen de zoon, tevens de chauffeur een baan als bakker kreeg, kon de hele familie niet meer komen. Iets dergelijks gebeurde met de families uit Zuid-Holland.

Ik speelde, denk ik, ruim een jaar mee en toen gingen we op concours.
Ik had al met MGW op een festivals van de BAAM, de Amsterdamse bond of in de regio gespeeld, dus ik kende de spanning dat we hoog moesten scoren omdat je anders voor de volgende keer in een lagere klasse kon worden geplaatst. Maar de sfeer was er ondanks de felle concurrentie heel gemoedelijk.
Maar een concours is landelijk en dat bleek andere koek.
We moesten om 9.00 uur in Enschede optreden, ergens in november.
Het sneeuwde die dag. De bus moest om 6 uur weg. Dus om 5 uur werd de bus ingepakt: De Pauken, het drumstel, het klokkenspel, een tiental kisten met percussie, de Sousafoons, Tuba’s en alle ander instrumenten; het was altijd met zijn allen flink sjouwen en passen en meten.
We waren ondanks het barre weer op tijd! We stelden ons bibberend op in de ijskoude schouwburg. Omdat het een binnenoptreden was, droegen we de bekende witte bloezen met de rode zijden hesjes en de glimmende zwarte broeken van dunne voeringstof.. Toen we begonnen te spelen werden ineens, alsof we er niet waren, alle deuren en schuifpui naar buiten open geschoven. Waarschijnlijk om de rooklucht van de toneelavond er voor te verdrijven. Toen speelden we met uitzicht op grote bergen sneeuw. Bij een temperatuur onder nul. Natuurlijk geheel zonder publiek, behalve onze eigen aanhang. Maar we speelden dapper verder. Ik startte met de piccolosolo van de Radetzkymars. Dat ik mijn normale snelheid onder deze omstandigheden niet zou halen, was duidelijk. De jury had daar geen enkel begrip voor en meedogenloos werden we door stemmen die ergens onzichtbaar boven in de zaal zaten, gedegradeerd. Na afloop zeiden gelijk verschillende leden van MGW: dit gaan we nooit meer doen; dan maar niet naar een concours. Na een paar maanden van discussie was dit voor MGW dus het laatste concours.


Langzaam zijn de mensen die op Wittenburg geboren en getogen waren, op een enkel lid na, uitgestorven. Veel van hen stierven ook, toen ze tussen de 60 en 70 waren. En weer moesten we op een begrafenis spelen. Ondanks het grote verlies aan leden in die tijd, bestaat MGW nog steeds en opmerkelijk is, dat veel leden op of rond de Oostelijke Eilanden wonen en het Muziekgezelschap zo nog steeds karakter heeft van een buurtorkest.

In 2010 kreeg ik een eerste speldje: 12,5 bij MGW.
De 25 jaar zou ik niet halen omdat ik om gezondheidsreden in 2018 moest afhaken.
Tegelijkertijd in 2010 kreeg de voorzitter Nico van Elst zijn speldje voor 50 jaar lidmaatschap.
Dat was een reden voor een groot feest.

Ik heb Nico toen geïnterviewd over de avontuurlijke jaren van vóór mijn komst bij MGW.

Doordat in de Wittenburger Fanfare in 1936 een ruzie ontstond, zijn toen Muziekgezelschap Wittenburg en Wittenburgs Fanfare Orkest geboren. De ruzie is nooit bijgelegd. Van leden van de inmiddels opgeheven WFO heb ik gehoord dat iemand van de MGW-groep één van hun had uitgescholden voor Klerisleier en die persoon was of werd ziek en overleed toen.

De foto’s bij het verhaal, waar ik dus zelf op sta, staan wel in chronologische volgende, maar horen niet bij de tekst, omdat ze allen veel later zijn genomen.

Blog 65: Een als maar groeiende rijkdom aan kinderen, 1988 (Hoogte Kadijk 4)

Eindelijk was het oorverdovend boren in het Entrepotdok afgelopen. (zie blog 49 : https://mariabervoets.wordpress.com/2019/12/22/49-het-gat-op-de-laagte-kadijk-hoogte-kadijk/ )

Alle kleine luikjes waren keurige ramen geworden en in het midden van het gebouw was een heuse binnenstraat gekomen.
In plaats van het jarenlange vertrouwde uitzicht op de klepperende luikjes, zou ik achterburen gaan krijgen.

2008



Vanaf de oostkant werden de nieuwe woningen gevuld. Langzaam schoof de levendigheid mijn kant op. Aan de kant van de Laagte Kadijk kwamen kleine koopwoningen en bedrijfjes, architecten bureaus en advocatenkantoren. Direct contact leverde dat niet op.

Het opknappen van het Entrepotdok was een Jan Schaefferproject, dus er kwam ook sociale woningbouw.

Aan de kant van het water waren extra grote woningen gerealiseerd met het oog op de gezinshereniging van gastarbeiders, zoals de arbeiders die eind jaren ‘70 in Marokko waren geworven, werden genoemd.


Achter mijn huis was dus dat speeltuintje, waar mijn dochter onder mijn toezicht vanuit het keukenraam kon spelen.
Speelde ze daar eerst alleen of met de vriendjes van de crèche uit de pijp, daar kwam nu verandering in.

Was er vroeger maar één buurmeisje geweest, nu druppelden er langzaam steeds meer kinderen op het speeltuintje, het gat aan de Laagte Kadijk, op.

Ik zat, nu er meer kinderen waren, regelmatig op het pleintje met een doos stoepkrijt om mijn dochter die in haar eentje was, te ondersteunen tegenover al die broertjes en zusjes.
Het was inmiddels voorjaar 1988 en mijn dochter zat op de Parelschool, de enige school waar ze terecht kon. Ze stond al twee jaar ingeschreven op een andere school, die gunstiger lag in het kader van co-ouderschap en vriendinnetjes, maar toen ze 4 werd, was daar net als op alle andere scholen in de wijde omtrek geen plaats.

1988

Op een dag kwam ze thuis met de mededeling: ”Ik heb een heel leuk vriendinnetje, maar ze kan niet praten”. Ik zag gelijk aan de manier waarop het meisje met zwier over de klimrekken koppeltje duikelde, dat ze twee jaar ouder was dan mijn dochter. Maar ze was wel een stuk kleiner. En inderdaad ook als ze bij mij binnen samen speelden, zei het meisje helemaal niets, terwijl mijn dochter er lustig op los kletste.
Toen de school na de voorjaarsvakantie weer begon, liepen ze hand in hand naar school en ze werden in dezelfde klas geplaatst. Het duurde wel een jaar voordat het nieuwe meisje de eerste woorden sprak, maar toen wel gelijk hele zinnen in het Nederlands.

Ikzelf kreeg ook een vriendin op het speelpleintje.
Maria Reijmers was met haar man Gerard en 3 kinderen recht achter mij in een van de grote gezinswoningen aan de waterkant komen wonen. Boven haar kwamen twee gezinnen, zo waren er 14 kinderen op de trap en even later kwam daar beneden nog een groot gezin bij.
Mijn dochter speelde al een hele tijd met de kinderen van Maria, voordat ik haar zelf ontmoette.

Het pleintje was een ontwerp van Aldo van Eyck met in het midden de bekende grote zandbak. Maar die had ik laten dichtgroeien met planten omdat met loslopende honden en katten, in het zand spelen geen optie was. In het midden stond een rozenstruik en met de kinderen gingen we er plantjes om heen zetten en onkruid wieden

2017

De gezinshereniging ging gestaag door. Als ik van mijn free-lance werk aan de keukentafel opkeek, zag ik regelmatig één of meer volkomen apathische kinderen op het pleintje, terwijl iedereen naar school was. Verschillende keren stoof ik naar beneden om zo’n nieuw kind uit de bloembak te halen.
Totaal ontredderd en verdwaasd waren de kinderen die uit een heel andere wereld leken te komen.
Ze hadden verstand van knollen en wortels telen, geiten hoeden, of baby’s verzorgen en water halen bij de put en werden ineens geplaatst in het bakstenen Amsterdam.
Vaak dacht ik: waarom is er geen maatschappelijk werker aangesteld om dit enorm grote project te begeleiden?
Het vriendinnetje van mijn dochter bijvoorbeeld, had 10 broers boven haar. De oudere broers gingen de eerste maanden nog niet naar school, terwijl de jongere kinderen wel al op school zaten.
De oudste jongen uit dat gezin waakte over al zijn broers. Hij bracht de jongsten naar school en stond op wacht als de andere broers buiten rondhingen. De broer onder hem was duidelijk niet in orde, daar moest hij op letten en zelfs voor zorgen.
Ineens was de oudste broer niet meer op straat, misschien door het UWV aan het werk gezet, en viel dat gezin uit elkaar. De broer onder hem werd in een inrichting geplaatst. Twee boers van het vriendinnetje van mijn dochter, die ook te oud waren voor de basisschool, zag ik vanuit mijn raam verschillende keren het meisje met stokken aftuigen. Ik ging dan maar voor het raam staan, zodat mijn dochter dat wrede tafereel niet kon zien.

Bij het afbreken van een huis aan de Laagte Kadijk kwamen eerst archeologen wat potten weghalen en daarna de zwarthandelaren, en toen gingen de kinderen schat zoeken.

Een grote groep kinderen liep via de Pelikaanbrug de Nieuwe Vaart over, langs de Oosterkerk naar de twee scholen die buurt rijk was: De Pool en de Parel. Ook op Wittenburg waren inmiddels veel gezinnen herenigd en werden kinderen geboren.
Op de Parel, de school van mijn dochter, werden alle ruimtes gebruikt om les te geven. Bij de drie kleuterklassen in het noodgebouw werd de hal gebruikt door de remedial teacher, zodat je over stoelen en tafels moest klimmen als je je kind in de klas wilde afleveren. Ook in het hoofdgebouw stonden in de grote hal groepjes met tafels en stoelen, waar leesmoeders les gaven. Zelfs vanaf overloop van de trappen klonken de moeizaam voorgelezen woorden vragend galmend door de hele hal.
Er was op de Parelschool echt geen plaats voor nog meer kinderen.

Daarom bezocht ik met het schoolhoofd van de Parelschool, Kenneth Craig, voorlichtingsavonden over de bestemmingen van de bedrijven die leegkwamen of over toekomstplannen voor de buurt om te pleitten voor een nieuwe school op de Oostelijke Eilanden. Op een van die avonden leerde ik Maria Reijmers kennen, die daar vanuit de Poolschool met hetzelfde doel was.
Ik had al eerder in “de Eilander”, de buurtkrant, artikelen geschreven, dat er met de komst van al die nieuwe mensen toch echt ook sociale voorzieningen moesten komen, maar vanaf nu trokken we samen op.

Onze eerste gezamenlijke daad was het onderstaand artikel in de Eilander:


(alle foto’s zijn door mijzelf genomen)

P.s. Bij het herlezen van het bovenstaande stuk, besef ik dat dit niet onze eerste gezamenlijke daad was.
Om een plek voor de school te realiseren hebben Maria en ik en nog een paar anderen een jaar heel heftig en hard gewerkt. Daarover schrijf ik dan maar een volgend blog. Dat wordt hilarisch…


Blog 64 : Mijn zus Clara (1947-2000)

Op de condoleance van mijn zus Clara waren honderden mensen. Ik kende alleen haar beste vrienden en mijn familie. Veel aanwezigen aanbaden haar als een heilige. Ze kwamen bij mij langs en in plaats van zwijgend een hand te geven zeiden ze: “Wat lijk jij op je zus!” en raakten me aan alsof ze iets van die heiligheid mee naar huis konden nemen.
Het was een vreemde ervaring. Niet echt fijn, als je net je enige zusje definitief kwijt bent.

Hoe kan iemand zo’n groot netwerk hebben van allemaal bewonderaars?
Hoe had Clara dat gedaan? Terwijl ze de laatste 8 jaar van haar leven ziek is geweest.

Ongeveer 2,5 jaar

Vanuit nu terugkijkend op toen en bladerend door de fotoalbums, zie ik dat Clara geen makkelijk leven heeft gehad. Zij was in ons gezin de middelste. Ik was het lievelingszusje van Jan, de oudste. Ik had dus zorgelijke lichamelijke ongemakken zoals mijn ogen en mijn gewrichten en Jan ging al jong naar kostschool, omdat hij als kind zich niet normaal ontwikkelde door een slechte start als baby in de oorlog.

27 mei 1954

Clara werd gezien als het ideale kind. Ze zag er uit als Shirley Temple. Mollig met een grote bos blonde krullen. Het ideaalbeeld van na de oorlog. Jan en ik waren lange magere slungels. Clara was ogenschijnlijk een geluksvogel. Altijd mocht zij met buren mee om leuke dingen te doen. Iedereen vond het geweldig zo’n mooi meisje mee te nemen. Soms vond ik het oneerlijk, dat andere kinderen wel op het paard van de groenteboer mochten en ik niet, omdat ik door mijn lengte en brilletje veel ouder werd geschat.

1959 op feesten droegen we dezelfde jurk/overgooier.

We verhuisden van Breda naar Rotterdam. Dat was voor ons vanuit een katholieke dorpse sfeer naar de kale grote stad een enorme overgang. Op school zagen we elkaar niet. Clara was twee jaar ouder, maar buiten schooltijd deden we alles samen. We speelden op straat of we gingen samen naar het zwembad of kanoën. We trokken met zijn tweetjes door de stad op zondag en gingen samen op zeilkamp in de vakantie.


Nu pas besef ik dat Clara, toen ze klein was de rol moest spelen van het gelukkige kind, terwijl ik mezelf kon zijn. Ze leek altijd vrolijk en onbezorgd, terwijl iedereen vond dat ik boos keek. Maar toen ze in de pubertijd kwam, werd ze thuis heel nukkig en als we met zijn tweetjes op stap waren, kon ze totaal afwezig zijn en liet de alle verantwoordelijkheden als bv. op tijd thuis komen of vervelende jongens van ons afslaan aan mij over. Waren we samen bij familie of in een grotere groep, dan speelde ze perfect weer haar rol.

Toen Clara de MMS had afgerond en naar de Sociale Academie ging, deed ze in de weekenden vrijwilligerswerk bij de SCI (Zie blogs 9, 40 en 44 ) en ik ging als scholier, jaren jonger dan de anderen, dat vanzelfsprekend ook doen.

Na het gymnasium ging ik het huis uit om in Amsterdam te studeren, en Clara ging op kamers in Rotterdam. Vanaf toen maakte Clara het leven voor zichzelf niet gemakkelijk. Als jonge meid met een diploma sociale academie nam ze de zwaarste banen in heel ingewikkelde omgeving.
Na een dieptepunt had ze rond haar 40ste haar leven wat meer op de rails.
De kinderwens, die ze had, zou niet meer in vervulling gaan. Ze besloot de Pabo te gaan doen.
Toen sloeg het noodlot toe. Pijn in de schouder door de duiksport, waar ze zeer actief in was. Maar de diagnose werd reuma. Na een jaar met veel enthousiasme weer terug in de schoolbanken, moest ze de opleiding afbreken. Er volgde 10 jaar van ziek zijn met 8 jaar zomers voor de darmen in het Radboudziekenhuis en ‘s winters voor haar gewrichten in de St Maartenskliniek.
Ze woonde in Nijmegen.
Remedial teacher was haar droom toen, maar dat kon ze nooit worden.
Maar er kwam bij Clara, nu ze wist dat ze ziek was en dat ze niet beter zou worden, een bepaalde energie boven. Een levenslust om er vanaf nu er echt iets van te maken.

1994

Ze in ging een muziektheatergroepje. Daar speelde de rol van Boze wolf met groot succes, omdat ze heel vals door alles heen kon zingen. Maar toen ze zieker werd, kon ze niet meer meedoen, omdat er dagen waren dat ze niet veel kon. Dus iets in zo’n hechte groep, waarin je op elkaar moet kunnen bouwen, ging niet meer.
Ze ging zoeken naar activiteiten die pasten bij het steeds verder gaande proces van gehandicapt zijn.
En ze had de kracht en het vermogen om bij iedere achteruitgang er weer opnieuw enthousiast tegen aan te gaan. Het leek alsof ze groeide, een sterkere persoonlijkheid werd, terwijl haar vermogens steeds minder werden.
Clara werd verhalenverteller. Ze ging bij een club van verhalenvertellers, waarbij ze elkaar stimuleerden met schrijven en voordragen. Zo trad ze op in de Paddentoren, vaak voor kinderen.
Haar leven had weer een duidelijk doel. Maar ook daar moest ze mee ophouden, omdat op de affiches van de Paddentoren haar naam prijkte vaak al een maand voor het optreden. En ze wist niet zo lang te voren hoe haar conditie dan zou zijn.
Vrijwilliger als verhalenverteller bij de Heilige Landstichting werd haar volgende job. Verkleed als bedouïn was ze een vaste personage met haar eigen ezel en de kinderen hingen weer aan haar lippen. Het voordeel van de Heilige Landstichting is dat daar meerdere vrijwilligers hun individuele taken hadden, zodat het niet opviel dat Clara op de afgesproken dag niet kon komen.

Clara had haar hele leven iets zoekends. Ze had steun van boven nodig en was vatbaar voor mystiek en religie. De jaren voor haar dood hield ze van de katholieke tradities.
Twee jaar voordat ze ziek werd, was zij naar Amerika gegaan naar de community van haar goeroe: Guru May. Ze vond het wel een heel fijne ervaring en had er veel geleerd, maar Clara had toch niet de behoefte om echt tot die groep toe te treden en daar te blijven.
Het was dan ook niet verbazingwekkend dat ze in Nijmegen zich aansloot bij een Ayurveda groep.
Clara nam trouw deel aan de sessies ohm en mantra’s zingen.

William, een vriendin, Mieke, Clara

Ook in haar eigen omgeving was ze actief en nam vaak het initiatief.
Zo richtte zij met Mieke en William L.O.L op : Lezen op Locatie. Op de bijeenkomst werd natuurlijk een gelezen boek besproken, maar de gastheer/vrouw moest naast een goede maaltijd ook zorgen voor een passend evenement.
Dit driemanschap groeide uit tot een hechte vriendschap en Mieke en William gingen met Clara later in de rolstoel, veel op stap, zoals bijvoorbeeld jaarlijks naar de duinen om midden in de nacht naar nachtegalen te luisteren.
Natuurlijk was ze ook actief in haar eigen straat. Ze organiseerde activiteiten of kinderen kwamen in haar tuin in de vijver naar libellenpoppen kijken of bij haar binnen knutselen. Jarenlang was ze Sinterklaas en toen dat te vermoeiend werd, de chauffeur van Sinterklaas.

Naast de gewrichten en de darmen begaven alle organen van Clara; Niemand kon dat echt verklaren. In het Radboudziekenhuis deden ze eindeloos veel onderzoeken naar de darmziekte waarmee de ellende begon. Clara, moeder en ik hadden de diagnose vliegende ontstekingsreuma. Reuma is een auto-immuun ziekte en die was blijkbaar naar binnen geslagen werd gezegd, al had niemand daarvan gehoord. Achteraf denk ik dat Clara ook hEDS had een erfelijke ziekte, die mijn dochter en ik blijken te hebben. (zie blog 59 https://mariabervoets.wordpress.com/2022/01/14/blog-59-mijn-moeder-en-ik/) Soms zijn er naast de problemen met de gewrichten ook ontstekingen in de darmen. Dat kan voortgaan tot overlijden er op volgt.
Ze lag dus veel in het ziekenhuis. Maar ook daar maakte ze er het beste van. Alle verplegers waren dol op haar. Veel mensen van de beide ziekenhuizen namen als echte vrienden afscheid van haar op de laatste dag voor haar dood.

Het was voor ons natuurlijk heel verdrietig om te zien hoe Clara aftakelde. Plastic braces over de polsen en knieën. Clara en mijn moeder gingen samen op vakantie. Ze hadden een gezamenlijke hobby: schilderen. Maar ook gingen ze samen met de Zonnebloem naar Italië. Ze namen toen één rolstoel, waar ze om de beurt achter liepen. Lekker weg van de groep, want moeder kende de weg in die stadjes in Toscane.

Clara’s gezondheid ging helaas steeds meer achteruit.

Ook buiten het ziekenhuis werd voor Clara haar bewegingsvrijheid steeds geringer. Ze zocht daarom activiteiten, waarvoor ze niet naar buiten hoefde. Ze werd actief in de Letsgroep in Nijmegen. Local Exchange Trading System, een ruilhandelnetwerk met de Let als valuta. Ze had kippen, dus kon ze eieren ruilen voor kleine verbouwingen in haar huis. En ze ging van achter haar PC de administratie van het systeem doen en had per telefoon contact met de leden.
Door de hele lijst van de hierboven genoemde activiteiten had Clara in Nijmegen een enorm netwerk opgebouwd.

Dat verklaart dus die menigte, een eindeloze stoet aan mensen, die op de condoleance kwamen.

2 juli 2000, 7 dagen voor haar 53e verjaardag is haar sterfdag.
Haar uitvaart had ze zelf tot in de puntjes voorbereid.
In het kerkje van de Heilige Landstichting werden we in een zee van kaarsjes ontvangen door Ooooooooohhhhm klanken van haar koor. Een goede vriend van mijn moeder, Ben een priester leidde een ceremonie, die geen echte mis mocht zijn. Hij zong Latijnse liederen die Clara met hem had afgesproken. Liederen over het licht uit de Exsultet van Pasen.
Nadat ze in doeken gewikkeld in het graf was gelegd ging de stoet naar een nabijgelegen restaurant, waar overvloedig te eten was. Daar leek dus wel heel Nijmegen aanwezig te zijn.
Haar graf had Clara zelf ontworpen. Ze wilde door de wormen opgegeten worden. Op de Heilige Landstichting zou het graf in 20 jaar vergaan en overwoekerd zijn.
Nu in 2022 is het graf er nog, de letters zijn verwijderd en het wordt steeds minder zichtbaar.

Blog 63: Lissabon 1972: Universiteitsgebouwen vol kogelgaten.

Het is nu precies 50 jaar gelden dat Fons Geerlings, toen een vriend van een goede vriend van me, iets wilde op zoeken in een archief in Lissabon voor het Angolakommitee en mij vroeg mee te gaan naar Portugal. Het was juli 1972, dus dictator Caitano was aan de macht, daarom was Portugal toen onder Amsterdamse studenten geen voor de hand liggende bestemming.
Fons zocht een meisje om mee te gaan, omdat een “stelletje” als toerist minder zou opvallen.

Fons als toerist.

Hij dacht dat er een kans was, dat zijn aantekeningen uit de archieven en kopieën die hij wilde hebben op de terugweg aan de grens zouden worden ontdekt en hem zouden worden afgenomen of dat hij misschien zelf wel opgepakt zou worden.
Omdat die zomer mijn vakantieplan niet doorging, zei ik gelijk “Ja”.
Ik was nog nooit in Portugal geweest en ik had wel zin in een luxe vakantie. Met het vliegtuig en hotelletjes. Dat was anders dan ik, als lifter met in de rugzak een slaapzak en plastic zeiltje, gewend was.
Maar het pakte heel anders uit. Fons zat, zoals afgesproken, voornamelijk in de archieven en bezocht contacten, zodat ik vooral in mijn eentje op stap ging. De eerste dag spraken we af samen in de studentenmensa te gaan eten. En dat deed ik daarna vaker en dat deed mij alle toeristische attracties vergeten omdat ik geconfronteerd werd met een sfeer van oorlog. De mensa, waar ook mannen in pak aten, zag er netjes uit, maar in de WC’s en gangen waren de sporen van de strijd al te zien:

Toen studenten merkte dat ik een buitenlander was, werd ik gelijk aangeklampt omdat zij hun verhaal wilde vertellen. Buiten Portugal was dit verhaal toen bijna niet bekend. De dictatuur had de berichtgeving stevig in zijn greep. Daarom besloot ik alles op te schrijven en hield dus veel interviews, die ik opschreef in mijn dagboekje, zodat ik bij de grens geen problemen zou krijgen.
Zijden dagboekjes van de Chinees gebruikte ik in die tijd. Met een camera vol toeristenfoto’s kwamen we zonder problemen door de douane en konden in opgelucht in het vliegtuig stappen. Maar mijn dagboekje raakte in Londen, waar we een tussenstop maakten kwijt.

De verhalen van de studenten waren globaal het zelfde. Ik werd meegesleurd naar universiteitsgebouwen vol kogelgaten. Wat begonnen was als studentenprotesten was uitgegroeid tot massaal protest tegen de dictatuur en het kolonialisme. Jongeren die werden opgeroepen om als soldaat naar de koloniën te gaan, gingen niet. De leeftijdsgenoten die ik sprak waren totaal desolaat en bereid tot de dood te strijden. “ Ze willen me naar de koloniën sturen, waar ik een kogel door de rug krijg. Dan krijg ik die kogel liever hier “, was meestal de slotzin van het gesprek.
De studentenverenigingen van de faculteiten waren de organisatie van dit wanhopige verzet. Het leger viel regelmatig schietend universiteitsgebouwen of studentenverenigingen binnen, waarna ze gesloten werden.

Economische faculteit , gesloten na gevechten en omsingeling door politie.

Affiches met propaganda van de regering waren destijds in Portugal prominent aanwezig.
Vooral deze kaart van Portugal en de overzeese provincies geprojecteerd op de kaart van Europa kwam je in Lissabon overal op straat tegen.

Fons en ik bezochte de havenwijk van Lissabon om daar wat plaatjes te schieten.

De wijk bij de haven was volgehangen met propaganda voor het leger en Portugal als koloniale macht.

Portugal voor altijd groot.
Het leger is niet slecht en oorlogstuig is ook een factor van belang voor vooruitgang.
Het leger is de spiegel van de democratie.
De Portugese soldaten zijn zo goed als de beste.
We willen geen oorlog, maar we zijn er niet bang voor.

Zoals gebruikelijk onder een dictatuur was er een enorme kloof tussen arm en rijk. Er was een toestroom van mensen vanuit het platteland van Portugal, waar helemaal niets te verdienen viel naar de steden. Zij die dat konden, vertrokken als “gastarbeider” naar het buitenland.

Een pater, een contact van Fons, nam ons mee naar Charneca, een krottenwijk, waar hij vaak kwam en de meeste mensen kende. De wijk werd regelmatig door bulldozers met de grond gelijk gemaakt, waarna de mensen hun hutjes weer opbouwden.


Er was ook een illegale beton en steenfabriek, die steeds weer verrees, waar de mensen werkten. Maar de armoede was enorm.


Vaak was er geen kostwinner in het gezin. Kinderen gingen niet naar school en leefden op straat. In sommige hutjes ging de pater alleen naar binnen; daar lag iemand ziek. Regelmatig trok hij zijn portemonnee uit zijn broekzak om de allerarmste gezinnen iets te geven.


Deze jongen heeft nog veerkracht: hij is een moestuin begonnen op het terrein van het vliegveld.


Deze drie kinderen zaten zo bij de entree van de wijk Charneca, toen we daar aankwamen en toen we na ons bezoek daar weggingen, zaten ze er nog precies zo. Ze waren te ondervoed en apathisch om zich te bewegen. Zo’n grote armoede, dat kinderen niet meer spelen en de mensen niet te eten hebben, ben ik later op mijn reizen niet meer tegen gekomen. Ik heb het ook nooit opgezocht, in tegenstelling tot veel jongeren in de jaren ‘70, die via Afghanistan naar India trokken.

Anderhalf jaar later, 24 april 1974 zou de Anjerrevolutie uitbreken, die Portugal van een dictatuur in een democratie veranderde. Uit interviews van oud politici uit die tijd blijkt dat dit voor de buitenwereld als een volslagen verrassing kwam.
Het was een geweldloze staatsgreep van het leger. Binnen het leger was in het geheim de MFA, een protestbeweging ontstaan, waar ook hogere officieren aan deelnamen.
Via de radio werden alle legereenheden geïnformeerd over het tijdstip van actie.
Die avond om 22.55u zond een lokale zender in Lissabon het liedje van het Songfestival uit, het teken om uit de kazerne te komen en in de stad de posities in te nemen. Een uur later op 25 april om 00.20u werd via de Radio Renascenca, de zender van de Bisschoppenconferentie, over de heel Portugal en de koloniën het lied “Grandola, Vila Morena” uitgezonden als teken dat de revolutie een feit was.
De legers marcheerden door de straten en bewoners kwamen massaal de straat op om hun steun te betuigen. Ze staken rode anjers in de geweerlopen van de soldaten, vandaar de naam Anjerrevolutie.
Na een jaar van verwarring was de democratie met de verkiezing van president Mário Soares in 1976 in Portugal een feit. Voor zover ik weet is dit de enige succesvolle revolutie zonder geweld: een leger dat een staatsgreep pleegde en weigerde op burgers te schieten en een bevolking die massaal de straat opging om de revolutie te vieren.

Hoewel in mijn dagboekje mijn adres stond en we het op veel adressen het als vermist hebben opgegeven, is het nooit meer boven water gekomen. Zonder de interviews kon ik geen kranten benaderen om iets over de oorlogssfeer in Lissabon te schrijven. Maar Fons en ik wisten samen wel voldoende om een de detailleerde verslag van de studentenprotesten en situatie in Portugal te schrijven in Poorter november 1972 :


Tot slot nog de toeristische foto’s waarvoor ik mee moest naar Portugal.

LISSABON

PORTO


Blog 62: Mijn ouders en de oorlog, een liefdesgeschiedenis

Mijn ouders hebben elkaar ontmoet op een studentenfeest in Tilburg. Waarschijnlijk had een studentenvereniging een groep meisjes uitgenodigd en is mijn moeder met vriendinnen daar naartoe gegaan.
Na mijn moeders dood in 2012 dwarrelden er bij het leegruimen van de boekenkasten steeds meer brieven naar beneden, die achter de boeken gestoken waren. Brieven van mijn vader naar mijn moeder en van moeder naar vader voor hun huwelijk. Mijn ouders zijn echt verliefd geweest, ontdekten wij toen. Ik heb er nog maar een paar brieven van gelezen. De eerste brieven van mijn vader gaan er over dat hij zo graag naar mijn moeder wil komen, maar dat hij dat weekend weer geen vrij heeft gekregen van zijn baas en dus weer niet kan komen. Pas na hun dood zie ik dat ze ook goed bij elkaar pasten.

Beiden katholiek, wilden ze hun middenstandsmilieu ontvluchten door te studeren, wat bij hen thuis not done was. Ze waren allebei idealistisch. Ze wilden niet rijk worden of veel geld verdienen maar leren en misschien wel de wereld een beetje mooier maken. Mijn moeder werkte voor andere,vaak arme, mensen. In zigeunerkampen, in inrichtingen voor zwakzinnige meisjes, voetbalspelen met jongetjes in Floradorp, met steun en advies van de vrouw van Jef Last (van circus Elleboog) begon ze een katholiek kindercircus. De Jodencrèche aan de Plantagemiddenlaan in Amsterdam vond ze echt een luxe leerschool, waar ze nieuwste opvoedkundige dingen kon leren. Al werd ze daar in 1934, nog maar net 21 jaar oud, al geconfronteerd met vluchtelingen die hun kinderen uit veiligheid in pleeggezinnen achterlieten. (zie Blog 39)
Mijn vader werd opgeleid om de kledingzaken van zijn vader over te nemen. Hij had een hekel aan het stagelopen in kledingwinkels en het failliet gaan van de firma Bervoets kwam waarschijnlijk voor hem als een bevrijding. Hij heeft eens verteld dat hij graag geschiedenis had willen studeren. Zijn vader heeft bij het faillissement en de overname van het bedrijf door de boekhouder, geregeld dat mijn vader mocht studeren op kosten van die boekhouder, maar dat moest dan wel economie zijn.

Acht jaar zijn mijn ouders verloofd geweest. Dat was extreem lang voor die tijd. Mijn moeder wilde heel graag snel trouwen en zelf kinderen krijgen, maar mijn vader was somber: het was crisis, maar nog erger: er kon wel eens oorlog komen, door wat er sinds 1933 in Duitsland gebeurde.
In 1941 zijn ze getrouwd en betrokken een bovenwoning aan de Blauwburgwal en in november 1942 beviel mijn moeder van een tweeling in het OLVG, waar toen een afweergeschut op stond. Mijn moeder had wekenlang hoge kraamkoorts.
Het gezondste kind van de twee overleed. Waarschijnlijk hebben ze hem te weinig aandacht gegeven in de couveuse. Mijn vader vreesde voor het leven van mijn moeder, heeft hij me ooit verteld. Waarschijnlijk is niet echt tot mijn moeder doorgedrongen hoe ziek ze toen was. Mijn vader heeft in zijn eentje zijn oudste zoon moeten begraven.
Niet echt een fijne start voor een huwelijk.
Mijn moeder heeft mij op 97 jarige leeftijd toevertrouwd, dat als ze nu (2010) hadden geleefd dat ze waarschijnlijk in de oorlog al gescheiden waren. Dat was best wel een schokkende mededeling, maar ergens heb ik mijn hele jeugd altijd verwijt gevoeld van mijn moeder naar mijn vader.
Er is toen verder niet over gesproken, maar ik dacht sindsdien dit erover:
Mijn moeder hield van kinderen, werkte met kinderen, maar mijn vader was tijdens de oorlog bezig met mannenzaken. Na het begraven van zijn oudste zoon, verwachtte hij dat zijn jongste zoon de oorlog ook niet zou overleven. Mijn moeder heeft gevochten voor het leven van haar kind, maar mijn vader kon dat niet meer. Kinderen waren misschien ook maar lastig bij mannenzaken.

Mijn moeder heeft nooit geweten wat die mannenzaken waren. Terwijl mijn moeder om aan een ei te komen urenlang ver Noord-Holland in moest lopen, nam mijn vader steeds vreemde snuiters in huis, waardoor dat ei ‘s avonds met drie in plaats van met twee mensen gedeeld moest worden.
Mijn moeder wist wel dat mijn vader, die journalist bij dagblad de Tijd was in zijn stukken verholen kritiek over de Duitsers schreef. Twee keer had de Tijd een publicatie-verbod gekregen door een artikel van mijn vader. Ineens kregen mijn ouders een vals paspoort met het bericht dat ze onmiddellijk uit Amsterdam moesten vertrekken. De naam van mijn vader was natuurlijk door die publicaties bekend. En in café Scheltema, waar voor de oorlog ook mijn moeder graag kwam, moet mijn vader contacten hebben gehad met verzetslieden.
Het plotselinge vertrek uit Amsterdam was voor mijn moeder heel erg.
Mijn vader was echt getraumatiseerd door de oorlog en misschien nog meer door alles wat vlak na de oorlog gebeurde: dat de schurken, die in Engeland hadden gezeten aan de macht kwamen en dat joden en communisten niet meer welkom waren.
Het woord oorlog, maar ook het woord Amsterdam was bij ons thuis absoluut taboe. Met mijn vader heb ik niet over iets van de oorlog kunnen praten. Hij is plotseling toen hij nog heel vitaal was, op 79 jarige leeftijd overleden.
Mijn moeder is bijna 99 geworden en in de laatste jaren kwam ze voor een minivakantie vijf keer met kerst bij mij in Amsterdam, waar ook al haar kleinkinderen woonden.
Als we met haar in de rolstoel door de stad reden, vertelde ze verschillende anekdotes over de oorlog op de plek, waar dat zich afspeelde, toen mijn ouders nog in Amsterdam woonden.

selfie, genomen met de zelfontspanner op vakantie

In 2010 heb ik mijn moeder geïnterviewd over hoe zij de bevrijding heeft beleefd.
Ze zei toen: de koude oorlog vond ik nog erger, de voortdurende angst dat alles weer opnieuw zou kunnen beginnen. Voor mij was de bevrijding pas bij de komst van Gorbatsjov en met de val de Berlijnse muur.

Toen mijn vader op zijn 65e met pensioen ging, kon hij de mannenzaken pas van zich afschudden.
Ik hoop eens blogs te schrijven wat die mannenzaken en het werk van mijn vader daarna geweest is.
Maar dat vereist echt onderzoek om alles waarheidsgetrouw op papier te krijgen.

Mijn moeder heeft haar vak, maatschappelijke werk, dat ze voor het huwelijk moest opgeven rond haar 50ste weer opgepakt. Omdat ze tot bij haar 73e heeft doorgewerkt, bracht mijn vader haar nog enige jaren met de auto weg naar de dorpen of stadjes waar haar klanten, douanebeambten, woonden. Na mijn vaders pensioen leek het alsof ze elkaar weer opnieuw ontdekten. Het hele jaar waren ze samen bezig de reis voor de zomermaanden voor te bereiden. Ze vonden niets heerlijker dan twee maanden in Frankrijk of Italië cultuur op te snuiven. Die laatste zeven jaar hebben ze het samen nog echt fijn gehad.

Blog 61: Sex, Bier, Rum (1970/1971); Een buitenhuis van de groep Amsterdamse studenten.

Zeedijk 8 , het dijkhuisje dat later misschien naar het openluchtmuseum te Arnhem zou gaan.

Het zal in de nazomer van 1970 zijn geweest dat een goede vriendin mij vroeg om mee te rijden naar Friesland, waar gezamenlijke vrienden van ons, die zomer een huisje hadden.
Bij aankomst zag het er heerlijk uit. Een huisje aan de dijk en verder niets er omheen dan gras en bouwland. In de weilanden verder weg lag nog één prachtig opgeknapte rustieke boerderij.
En verder leegte van de zee en land.
Het bleek dat onze vrienden met vrienden van vrienden een leegstaand huisje bewoonbaar hadden gemaakt. Het was een diffuse groep studenten uit Amsterdam, die in de zomer onderling regelden wie daar een tijdje in dat paradijsje mocht wonen.
Zo ging dat vroeger, ook in Amsterdam. Je zag een huis dat al heel lang niet bewoond was, je informeerde naar de eigenaar en maakte kennis met de buren. De term kraken werd later vooral voor politieke actie gebruikt. Ikzelf heb ook jaren zo zonder huur te betalen gewoond in een leegstaande huis of bedrijfspand, dat we zelf onderhielden.

Het dijkhuisje was ooit onteigend omdat de dijk verzwaard moest worden. Alle huizen op de dijk waren al afgebroken, maar dit huisje stond er nog. We dachten, omdat het als arbeidershuisje nog helemaal in de originele staat was, dat het ooit verplaatst zou worden, daarom waren we er best zuinig op.
Ik ben er later dat jaar verschillende keren naartoe gelift en waarschijnlijk heb ik toen ook hele einden gelopen. Ik herinner me vooral de keren dat ik daar alleen was en de wind om en door het huisje gierde.
Daar genoot ik van. Helemaal alleen met de elementen, de golven die ik hoorde klotsen tegen de dijk. Totaal verlaten. Het was niet mijn huis, er konden dakpannen of iets anders van af waaien. Repareren deed ik alleen met vuilniszakken en ducktape.

Cor zet een palinglijn uit in de sloot. Die dagen aten we dankzij Cor dagelijks vis.

Je wist nooit hoe je het huisje zou aantreffen. Er was geen enkele communicatie tussen de gebruikers. We hadden geen telefoons toen. Maar heel weinigen waren zo gek als ik, om daar spontaan heen te gaan, als je niet zeker wist dat de zon scheen.
Altijd als ik kwam en er was niemand, moest het huisje eerst schoongemaakt worden om er te kunnen wonen. De resten van de feesten, trof ik daar een paar keer: De hele keuken vol met lege bierflesjes, wijn- en drankflessen. Overal emmertjes, niet zozeer tegen lekkage, maar meestal vol met rood geworden pis. En anders waren er wel muizen of andere dieren actief geweest. Ik vond het geen probleem. Van de bierflesjes had ik weer statiegeld. De andere flessen zette ik in emmers onder aan de dijk. Want er kwam een vuilnisman langs af en toe.

Cor

Er moet daar ook een oude fiets geweest zijn, want de eerstvolgende boerderij, die in bedrijf was, was toch wel een half uur lopen. Bij die boer haalde ik verse melk en hij had ook een kas met groenten.
Ik dacht altijd dat Friezen stug waren en dat ze van die rare studenten, flierefluiters, niets zouden willen weten. Maar het tegendeel was waar. De mensen in het gehucht Oosterbierum waren buitengewoon vriendelijk en behulpzaam voor ons. Het bleek dat vóór ons, het huisje was gekraakt door echte junks, waar ze veel overlast van hadden gehad. Daarom werden wij gekoesterd.
Ik vermoed dat in Oosterbierum ook nog een soort van kruidenier’tje was om koffie en brood te kopen, waar ik de flesjes kon inleveren. Nu is er in Oosterbierum geen enkele dorpswinkel en in Sexbierum, waar het bijhoort is nu nog (of weer?) een bakker. In Sexbierum was toen een kroeg, waar we bij binnenkomst standaard verwelkomd werden met de kreet ”Sex, Bier, Rum!!”

Tineke, Theo, Yvonne

Het was voor mij en Amsterdamse vrienden en kennissen wel de jaren van de “one night stands” of meerdere lovers tegelijk. De vrijheid door het slikken van de pil, die er net was. Maar ook binnen de woongroepen waarin ik daarna in onbewoonbaar verklaarde woningen in woonde, was ik altijd heel braaf. Ook aan de zeedijk 8 te Oosterbierum gold dat sex, bier en rum niet voor mij.
Als ik in winterweer daar kwam en er was al een iemand aanwezig, was dat fijn. Het huisje was al bewoont. Dat was natuurlijk altijd een man, soms twee. Maar die waren van het brave type. Zij hielden van timmeren en zagen, want aan het huisje viel altijd wel wat te repareren of verbeteren. We deelden de keuken en kookten samen. En luisterden daarna bij de kachel naar de storm en het striemen van de regen en of het huisje dan nergens lekte. Het huisje was groot genoeg om verder je eigen gang te gaan.

Ik had instrumenten meegenomen: fluiten gekocht bij de Chinees in de Damstraat en de gitaar die ik van een klasgenoot had gekregen in het laatste schooljaar, toen ik ziek was.

In de keuken was altijd water, tenzij het heel hard vroor. Er was een pomp van een eigen put, zoals je die nu nog wel eens buiten op een dorpsplein ziet, maar dan gelijk boven de gootsteen. We stookten hout, maar er was ook een gasfles. We hadden natuurlijk olielampen en kaarsen, maar die woeien te makkelijk uit.

Frits en Yvonne

Het was balen als er bij aankomst helemaal geen gas of olie was, maar de volgende dag kon je toch in het dorp vragen of ze iets kwamen brengen. Maar bijna altijd was er wel iets om je in de keuken aan te warmen. Want ook de voor mij onbekende “feestvierders”, die alleen kwamen om na een weekend een bende achter te laten, waren best sociaal.
Er stond in de keuken een potje met geld en een kasboekje voor onderhoud en gebruik van het huisje. En er was natuurlijk een logboek, waarin je schreef dat je er was geweest, hoe het er was en wat je had gedaan.
Zo ging dat vroeger.

De foto’s zijn genomen in de zomer van 1971

Blog 60: Vader zijn in de jaren ‘50 en ’60 was ook niet makkelijk..

1967 Vader zit tegen de verwarming. Foto: Maria

“Waarom schrijf je alleen over je moeder” vroegen verschillende vrienden mij. “ Welke rol speelde je vader in je leven?
In de zeven jaren dat ik in Breda woonde, heeft hij nauwelijks een rol gespeeld.
Mijn vader moest werken. Mijn vader werkte bij de bank van Van Mierlo. Een onderduikersbaan werd dat bij ons thuis genoemd. Toen mijn ouders hals over kop in 1944 van Amsterdam naar Breda verhuisden, hadden ze wel een woning, maar mijn vader had geen werk en dus was er geen inkomen. Mijn vader ging op de fiets de stad in en ergens ontmoette hij de heer Van Mierlo die hem een baan aanbood.
Ik denk niet dat mijn vader, die journalist was, een bank runnen een leuke baan vond, maar hij deed het heel toegewijd. Hij was weg als wij opstonden en mijn moeder stopte ons in bed voor hij om 18.30 thuiskwam. Het is mogelijk dat hij weleens voor de middagboterham naar huis ging, maar dan ontmoetten wij elkaar in ieder geval niet.
Op zondag, dat heeft mijn moeder heel vaak verteld, stonden mijn vader en moeder met op de fiets ieder een kind om naar het bos te gaan en dan belde de bank dat er iets moest gebeuren en dan werkte mijn vader ook de hele zondag. Ik herinner me vooral de zondagen dat we heerlijk speelden op het Cadettenkamp, een grote vlakte met zandheuvels en ook nog een ijsje kregen, als de ijscokar er stond. Altijd alleen met mijn moeder. ‘s Avonds werkte mijn vader aan een proefschrift.
Toen mijn vader in 1954 promoveerde was ik vijf en mocht niet mee naar de promotie en het feest, omdat ik te klein was. Tante Jo paste op mij en waarschijnlijk heeft zij me even op het feest geshowd.
Dankzij dat proefschrift zijn we twee jaar later naar Rotterdam verhuisd en heb ik mijn vader leren kennen.

1959 Vader in Renesse. De eerste en voorlopig de laatste keer dat hij aardappels schilde. Hij vond het geluid van het plonzen in de emmer leuk. Foto: moeder met vaders box.

Het verhaal dat mijn vader vanuit zijn eerste loonzakje de tientjes in de kamer in de hoogte gooide al roepend: “Nu zijn we rijk! ” is mij zo vaak voorgedaan, dat het bij mij een actieve herinnering is geworden. De lichtbruine langwerpige papieren loonzakjes van de eerste jaren in Rotterdam herinner ik me goed.

Op zondag was mijn vader vrij en we gingen vanaf de zomer waarin ik negen werd ook op vakantie. Ik was de jongste. Mijn moeder toog met de drie kinderen voor veertien dagen naar Renesse. Het eerste jaar kwam mijn vader een weekend en in de tweede vakantie een hele week. De jaren daarna organiseerde mijn vader vakanties; zo gingen we met een gehuurde auto naar Frankrijk.

Op de vrije zondagen bedacht Vader wel eens uitstapjes, zoals op de fiets naar de sluizen bij Capelle aan de IJssel. Of we gingen naar Museum Booijmans dat toen nog gratis of 10 cent was.

Van mijn vader in Breda heb ik de geweldige herinnering dat we samen stonden te zingen tijdens de mis. Mijn vader vond het heerlijk om op zondag naar de Heilig Hartkerk te gaan. Daar was een hoogmis met drie heren. Ik vond het fantastisch om naast mijn vader te staan en het gregoriaans in het latijn te zingen. Het is zeker de basis geweest van mijn muziekbelangstelling veel later en vergemakkelijkte het leren van talen. Ik denk dat mijn moeder en zus niet zo blij waren met deze langdurige zondagse activiteit. Ook de Pasen met donderdag, vrijdagmiddag uren in de kerk en dan de Paaswake midden in de nacht vond ik geweldig, door de hechte band, die ik op dat moment met mijn vader had.
In Rotterdam gingen we naar de buurtkerk. Daar werd wel gezongen, maar daar schaamde ik mij vaak vreselijk om mijn vader. Mijn vader ging altijd met het gezin op de eerste rij zitten, hoewel daar naambordjes op zaten van mensen die die plaats hadden gekocht. En dan kwam zo’n madam met een bontjas aan als de mis al begonnen was. Boos wees zij dan naar mij dat ik op moest staan. En stond mijn vader, die heel erg groot was, pontificaal langzaam op en ging ergens anders zitten. En dan moest ik de mis verder op die eerste rij met mijn moeder en zusje uitzitten.

Mijn vader ontbeet nog steeds eerder dan de rest van het gezin, maar we zagen elkaar meestal wel voor schooltijd heel even. Als wij in onze nachtpon of pyjama naar beneden kwamen, luisterde vader naar het nieuws. De radio was van mijn vader. Mijn moeder hield niet van “muziek of lawaai”. De kinderen mochten niet aan de radio komen. Op zondag luisterde mijn vader naar J.B.G.Hilterman en de hele dag schalden er missen door het huis. Gregoriaanse, Oud-griekse of Grieks-orthodoxe missen. Ik vond het machtig interessant dat mijn vader door te draaien aan de knop van de grote radio het staafje bij het juiste cijfertje plaatste en zo contact had met landen die zo ver weg waren.

De eerste jaren in Rotterdam was hij echt zo’n vader als uit de reclame van “wie is toch die man die zondags het vlees snijdt?” Mijn vader had dan ook nog de pech dat, als hij het vlees wilde snijden, dat mijn moeder op de speciale vleesplank voor hem had neergezet, zij altijd, als ze binnenkwam met een schaal riep:”Karel wat doe je nou!!” Als kleindochter van de slager wist ma veel beter in welke richting het vlees gesneden moest worden.

Mijn vader was erg trots op zijn kinderen en wilde voor ons heel graag een goede vader zijn.
Hij wou inhalen wat hij gemist had, toen we klein waren. Zo begon hij ons ‘s avond voor te lezen.
“Alleen op de wereld’, “Niels Holgerssons wonderlijke reis” en “Levende Bezems” van Lisa Tetzner en Dickens. Ik zat weer op het voetenbankje, met Clara en mijn vader behaaglijk rond de kolenkachel. Na twee jaar waren we echt te oud, boven de 12 en 14 jaar en gingen we na het eten en de afwas naar onze kamer om huiswerk te maken.

Koken of iets anders in het huishouden kon mijn vader niet.
Maar ineens kreeg hij ook de zaterdag vrij en wilde hij op zaterdag koken.
Vader kon goed biefstuk bakken, dus zaterdags aten we toen soms biefstuk met brood om in de jus te dopen. Dat vonden we echt lekker en feestelijk.
Mijn zus en ik moesten zaterdags nog de hele ochtend naar school.
Mijn vader wilde ons dan als we uit school kwamen verwennen met een mooi gedekte tafel en verse warme broodjes van de speciale bakker.
Maar na een paar maanden al, lieten wij hem met de broodjes in de steek.
Mijn zus had inmiddels de MMS afgerond en zat op de Sociale Academie. Daar maakte zij kennis met de SCI (Zie blogs 9, 40 en 44 ) en ging in de weekenden vrijwilligerswerk doen en ik ging al heel snel met
haar mee. Ik kwam in een spijkerbroek met verfspatten op school en zodra ik thuis was, vlogen we de deur uit om woningen op te knappen van bejaarden, bij wie de kolenkachel was ontploft.
We maakte ook niet mee hoe, mijn vader langzaam de kookkunst meester werd, want in de
groep kookten en aten we ‘s avonds samen. Ook de zondag waren we weg en ik denk dat we ook te laat voor de zondagse maaltijd thuis kwamen.

Mijn vader heeft echt maar weinig kans gekregen om van ons als kinderen te genieten.

Pas toen ik zelf volwassen was, heb ik als student mijn vader goed leren kennen,
maar daarover een andere keer.

Blog 59: Mijn moeder en ik, Familiegewoontes bleek EDS.

1967 Moeder stopt nylonkousen, foto Maria

Toen mijn dochter, die de diagnose hEDS *) heeft tegen mij zei: “Maar ma dat heb jij toch ook?”, was het even stil. Natuurlijk had zij de ziekte die erfelijk is van mij. Dat lenige, die losse gewrichten, dat heb ik altijd gehad. Ik heb het meer als een familieding beschouwd dan als een ziekte.
Denkend aan EDS zie ik mensen voor me, die zitten in een rolstoel of blijvend op bed liggen en met hulpmiddelen hun gewrichten ondersteunen. Het komt me voor alsof ik min of meer door het leven ben gefietst, hoewel ik nu pas besef dat hEDS ook mijn leven heeft bepaald.
Dat ik geen vreselijke verwondingen heb opgelopen komt door mijn moeder. Zij heeft mij vanaf de geboorte goed “gediagnosticeerd”. Ze zag dat ik de zelfde eigenaardigheden had als zijzelf, maar heeft mij nooit het gevoel gegeven dat ik afwijkend was van andere kinderen.
Pas toen ze 97 jaar was vertelde ze mij terloops dat zij als kind veel ziek geweest was en anderhalf jaar op een plank was vastgebonden. Vanwege “Engelse ziekte”, maar ze voldoet niet aan de symptomen van de ziekte, die nu Engelse ziekte (Rachitis) heet. Tot voor kort dacht ik en ook mijn moeder zelf dat wij in onze familie ontstekingsreuma hadden. Dat was ook zo, maar nu weet ik dat in mijn familie behalve reuma ook EDS heerste. Dat verklaart ook het overlijden van mijn enige zus op 52 jarige leeftijd door aantasting van haar darmen en later al haar ingewanden, terwijl zij heel zwaar “reuma” had.

Tegelijkertijd met maatschappelijk werk had mijn moeder “kinderverzorging en opvoeding” gestudeerd. Ze had in verschillende kindertehuizen gewerkt. Ook in een tehuis voor “achterlijke kinderen”, zoals mijn moeder dat noemde. En geloof maar, dat daar ook kinderen tussen zaten, die een of andere handicap hadden en helemaal niet achterlijk waren.
Mijn moeder wist heel veel van kinderen en over ziekten. Ze lette ook op onze gezondheid.
Omdat mijn zus klompvoeten had, moesten we altijd knikkers rapen met onze tenen. Op onze tenen hardlopen. Mijn moeder maakte van allerlei “gymnastiekoefeningetjes” spelletjes en ze deed zelf ook enthousiast mee.

1958 Moeder bouwt een schip, dat de zee zal verwoesten. foto vader

Zo gingen we buiten badmintonnen, met als doel zo vaak mogelijke heen en weer slaan.
“En nu allemaal het racket in de andere hand” riep mijn moeder dan plots.
Want het ging niet om het winnen, maar om het spel en ook om de gezondheid.
De drie kinderen van ons gezin waren heel verschillend.
Ik had mijn eigenaardigheden:
Toen ik als peuter leerde lopen, zakte ik door mijn enkels. Daarom kreeg ik hoge schoentjes en vanaf mijn tweede jaar tot mijn 17e droeg ik een bril vanwege een lui oog. Ik heb nog steeds twee heel verschillend werkende ogen en dat is O.K.

1950 mijn eerste verjaardag: Jan, ma, ik, Clara. foto heerom Piet

Op de lagere school kreeg ik twee keer gordelroos en een keer netelroos. Dan lag ik in quarantaine en niemand mocht bij me komen, de familie en vriendjes mochten heel even om het hoekje van de deur kijken. Maar heel vaak zei mijn moeder: “Blijf maar lekker thuis, ik vind het zo gezellig, als er nog een kind thuis is.” Het was ook gezellig thuis. Ik zat vaak op een voetenbankje als mijn moeder boven mij stond te strijken. Later maakte ik op de naaimachine poppenkleertjes en nog later bakte ik het hele dokter Oetker taartenboekje.
Ik was dubbel zo lang als mijn klasgenoten. Eigenlijk paste ik niet in de schoolbank, van die Ot-en-Sien banken, stoel en tafel zaten aan elkaar vast met een inktpot er in. Ik denk achteraf dat moeder dat wist. Die banken waren echt te klein voor mij. En stilzitten kon niemand bij ons. Alle drie de kinderen zaten op de achterpoten van de stoelen te wiebelen. Omdat toen ik klein was, de stoelen wat gammel waren, zaagde mijn moeder de leuningen van de stoelen, zodat de kinderen niet meer konden wiebelen en die stoelen nog een paar jaar langer meekonden.

Foto: 1966 Ma houdt van spelletjes, ik kan speelkaarten niet met één hand vasthouden. Foto Jan.

Op de middelbare school kreeg ik mijn kaak niet meer open na het verwijderen van een verstandskies, die niet door zou kunnen komen. Toen enkele weken daarna de kaak ook nog ging ontsteken, zei mijn moeder: “Ga maar naar tante Nel aan zee”. Ik ben toen ruim een half jaar niet naar school geweest.
Maar nog vaker was ik thuis doordat docenten mij vroegen: “Ben je ziek??”. Ik zei dan enthousiast “ja”. De meeste gymnastieklessen had ikzelf afgezegd. Dat was een martelgang. Ik heb heel lang gedacht dat sportlieden heel erge masochisten waren.
Eigenlijk heb ik mijn hele leven als ik niet in beweging was, meer liggend dan zittend door gebracht.
In Rotterdam in 1956 kregen mijn zus en ik een eigen kamer. Daarin stond een bed en daarnaast een stoel. Meer paste er niet in. De deur ging ook niet helemaal open, want die kwam tegen het bed aan. De ruimte naast het bed zal niet meer dan 50 cm geweest zijn. Als we niet in de huiskamer waren, leefden we op ons bed, maakte daarop huiswerk. Ik was niet anders gewend en zo is het gebleven. Ik lees of studeer het liefs liggend.

1967 ma op het balkon, foto Maria

Ik heb mijn leven altijd heel normaal gevonden. Met een gekneusde rib heb ik gewoon doorgewerkt. Ik brak eens in de trein een rib. Ik lag misselijk van de pijn in het gangpad, maar stapte wel op tijd uit om bij de vriendin op bezoek te gaan. Ik heb net als mijn moeder, weet ik nu, een heel hoge pijngrens.
Al vanaf dat ik heel klein was, zei ze vaak tegen mij; “Het enige voordeel van pijn is dat het altijd weer over gaat”.
Daarom zei ik tegen mijn dochter, toen zij zei, dat ik EDS heb: ”Maar ik heb toch geen pijn?”
Toen zei ze heel boos tegen mij:”jij hebt altijd pijn!”. Dat was even slikken. Natuurlijk heb ik altijd wel ergens pijn. Net als mijn moeder reageer ik tegendraads op medicijnen. Ik verdraag geen pijnstillers of slaapmedicatie. Pijn is misschien niet leuk, maar voor mij wel noodzakelijk, want het helpt mij om mijn grenzen te bewaken. Ik ben er aan gewend en zo kan ik naar mijn lichaam luisteren.
Ik heb mij nooit afgevraagd hoe anderen hun leven inrichten met pijn. Pas door dit gesprek met mijn dochter ben ik naar mijn jeugd gaan kijken en denk dat die misschien wel iets anders was dan die van de meeste kinderen.

2002 Anton van Duinkerken en moeder in Bergen op Zoom, foto Hanna

Bij moeders crematie las neef Bernard het tweede deel uit  ‘Liedjes voor de kleine Lucie’ voor van Anton van Duinkerken, haar broer. Pas toen hoorde ik dat zij “het zieke zusje” in zijn verhalen was.
Moeder had mij altijd gezegd, van Duinkerken dat moet je niet lezen. Dat is zo ouderwets, toen waren we nog zo katholiek. Dus zoals vele van haar goede raadgevingen heb ik ook deze opgevolgd.
Pas veel later las ik “de Ravenzwarte” een boekje van van Duinkerken over zijn jongere broer.
Daarin zegt mijn moeder als kind vanaf haar ziekbed tegen haar zes jaar oudere broer: “Je moet meer uitgaan en naar de meisjes kijken”. Als jonger zusje was ze toen al wijs en gaf goede raad.

En uiteindelijk is het “zieke zusje” verre weg de oudste van de hele familie geworden.

vlnr: Doris (de Ravenzwarte), Willem (Anton van Duinkerken), Piet, Tjieu, Luus (mijn moeder) Jo, Cor, Nel.

*) voetnoot
EDS, Ehlers-Danlos-Syndroom is een erfelijke bindweefselziekte: de banden rondom alle gewrichten zijn te lang. Daardoor kunnen gewrichten makkelijk uit de kom schieten. Naast gewrichten kunnen ook spieren en zenuwen zeer pijnlijk zijn.
Daarbij is het een syndroom met nog allerlei verschijnselen, die per persoon kunnen verschillen.
Zoals tegendraadse reactie op medicijnen, niet verdoofd kunnen worden, verstoord zenuwstelsel, “pukkelziektes” en insectenbeten, en extra bloedverlies bij wonden en makkelijk vallen of stoten (deze dingen heb ik dus ook), maar mogelijk is ook: niet opnemen van vitaminen, last van darmen en organen, botvergroeiingen enz.
Bij mij is het effect dat ik altijd in beweging moet blijven, wil ik geen verwondingen oplopen.
Daardoor heb ik een slechte nachtrust en ben chronisch moe.

Er zijn verschillende typen EDS. B.v. hEDS is hypermobiel EDS, zoals hier boven beschreven.
Bij vEDS vasculair zijn ook de bloedvaten te slap en kan je hart het begeven, dat komt niet voor in mijn familie en er zijn nog meer varianten.

P.s.: Moeder corrigeerde ons ook voortdurend: Zet je voeten recht naar voren bij het lopen. Als je op je knieën zit, nooit met je billen op de grond tussen je benen zitten. Je mag een ballet plié maken, maar nooit de voeten naar achteren draaien.




Blog 58: Meisjes van Johan de Witt, werken in een Philipsfabriek, deel 2 en Philipsgroep

Vóór mijn 6 weken stage bij de Philipsfabriek in Dordrecht echt begon, (zie blog 57: https://mariabervoets.wordpress.com/2021/12/17/blog-57-vrouwen-van-johan-de-witt-werken-in-een-philipsfabriek-1975/ ) heb ik twee weken op andere afdelingen gewerkt en een week door de hele fabriek rondgelopen en interviews afgenomen van werkbazen en andere Philips medewerkers..
Ik beschrijf in het onderstaande artikel in De Groene Amsterdammer het werken door jonge meisjes in de grote hallen.
Wat ik mij daarvan nu het meeste herinner zijn de hallen met vrouwen van niet-Nederlandse achtergrond, die werkten aan de lopende band. Per band dezelfde nationaliteit. Aan meeste banden hadden de vrouwen een koptelefoon op. Door de grote lawaaierige hallen klonk altijd zeer luid muziek. Een paar uur Turkse muziek, daarna Joegoslavische , Italiaanse of Griekse muziek. Daar werd de meeste productie geleverd voor het minste loon. Ik schrijf daar niet over. Waarschijnlijk was ik voorzichtig omdat ik Philips nog nodig had voor onderzoek..

De tekst boven de kop van dit artikel is niet van mij. Het traject bij de theologen duurde 3 maanden. Via de theologische faculteit in Rotterdam kon ik in Dordrecht terecht. Twee keer daarvoor was een stage de dag voor ik zou beginnen afgewezen. Ik was toen lid van de Philipsgroep Amsterdam. Blijkbaar was dat voor Philips zeer verdacht, want niet alleen ik maar ook andere leden kwamen niet door de screening.

De Philipsgroep Amsterdam
was een projectgroep aan de Universiteit van Amsterdam, die we als studenten hadden opgericht.

“In een projectgroep zou theorie (universiteit) en de praktijk (arbeidersbeweging) met elkaar verbonden worden.” “I.p.v. de vakken economie, statistiek, sociologie en psychologie bestudeerden studenten een thema in al zijn facetten.” We maakten eerst een gezamenlijke werkmap. Hierin werd een theoretisch kader uiteengezet en schreven we alles op dat we tot dan toe (1976) wisten over Philips. Daarna heeft ieder een eigen thema en vraagstelling gekozen en is dat gaan onderzoeken. Uiteindelijke heeft bijna iedereen een eindscriptie gemaakt over heel uiteenlopende thema’s als werkstructurering, natuurlijk verloop, of vakbonden en Philips in Italië.

Ikzelf werkte inmiddels in Hoorn en werd door de plaatselijke vakbondsafdeling benaderd met de vraag hoe het nu mogelijk was dat Hoorn hoofdvestiging was geworden voor Huis- en Bedrijfstelefonie, terwijl de werkgelegenheid daar terugliep.

mijn eindscriptie

Ik stortte mij op het vestigingsbeleid, de motieven van Philips om zich ergens te vestigingen of bedrijven te sluiten en de ontwikkelingen in de telefooncentrale-industrie en stuitte toen op de toen nog onbekende run-awaystrategie naar “derdewereldlanden”

Niet bekend in Nederland was toen dat de nieuwste types elektronische telefooncentrales ontwikkeld werden in Zuid Oost Azië en dat toen al de printplaten in Brazilië werden geproduceerd, voor fabricage in Nederland. In Singapore was een ruim aanbod aan zeer hoog geschoold personeel, dat veel lagere lonen kreeg dan in Nederland, stakingen waren er verboden en Philips betaalde geen belasting. Bovendien hielp de overheid met het opzetten van vestingen. De ideale plek om de nieuwste elektronische telefooncentrales te bouwen en verder te ontwikkelen.
Er was nog geen internet dat alle info de wereld over stuurt.
Ik zat dus in bibliotheken van de verschillende faculteiten, Geografie en Antropologie, de UniversiteitsBibliotheek maar ook die van het Tropeninstituut of de faculteit Zuid-oost-Azie in Leiden, tijdschriften uit Azië en Brazilië te bestuderen. En ook allerlei technische tijdschriften over de ontwikkeling van telefooncentrales en vooral ook over de productie van chips. Daarnaast bladerde ik door Economische tijdschriften en ook de jaarverslagen van telefoon- en elektronicabedrijven.
Ik ging een paar keer naar Eindhoven om de mensen achter SOMO te ontmoeten, een organisatie, toen van vnml studenten die Multinationals bestudeerden en natuurlijk ook Philips.
En ik ging “als begeleider” mee met een groep jongerejaars Antropologen naar Philipsbedrijven om directeuren te interviewen. Onder het mom van ontwikkelingshulp en de rol van Philips daarin, liet ik hen ook de vragen stellen, waarvan ik het antwoord nodig had. Dat vond ik best wel spannend, want ik had Philips zelf ook voor informatie nodig. Veel gegevens had ik gekregen door bedrijven op te bellen. En uit deze bezoeken kwam voor mij vaak een ontbrekende schakel. Ik moest dus niet negatief bekend worden, zodat alle deuren dicht gingen.

Met ieder hoofdstuk dat ik af had, ging ik naar Maarten van Klaveren, die dan enthousiast riep:
”ik ga het gelijk laten vertalen voor de scholingen van de Internationale Vakbond”.
Dat motiveerde mij natuurlijk enorm om verder te gaan. Uiteindelijk was mijn verhaal in 1979 af: 242 helemaal vol getypte A4tjes met daarin veel handgetekende tabellen en statistieken.

Het werd best wel populair, want ondanks dat het een lijvig rapport was, is het door verschillende organisaties en individuen gekopieerd, hoorde ik later van verschillende kanten.
Ik had geen geld of tijd om het in boekvorm uit te geven, dat docent aan de universiteit, van mij eiste, maar het gaf mij voldoening dat mijn werk de doelgroep bereikte.

Uiteindelijk had ik voor de vakbondsgroep in Hoorn, treurig nieuws:
Zij werden dus hoofdvestiging voor het oude type: de electro-mechanische telefooncentrales, die vervangen werden door de volledig elektronische centrales, die Singapore werden geproduceerd. .
Over enige jaren zouden in Hoorn of elders in Nederland geen telefooncentrales geproduceerd worden en de mensen in Hoorn konden er alleen voor strijden dat zij de werkplaats zouden worden voor de reparatie van de oude centrales.

Lees ook het eerste blog over werken in de Philipsfabriek “Blog 57: Vrouwen van Johan de Witt”

Blog 57: Vrouwen van Johan de Witt, werken in een Philipsfabriek (1975)


Testen van motoren

Tijdens mijn studie ben ik stage gaan lopen in een Philipsvestiging in Dordrecht.
Ik had al veel gezien op mijn avontuurlijke reizen, maar ook de 6 weken stage bij Johan de Witt zal me bij blijven als een andere wereld dan waar ik in leefde.
Ik werd geplaatst op een elite-afdeling, een kleine groep vakvrouwen die geheel zelfstandig werkten. Ze produceerden motortjes voor apparaten die niet mochten falen. Apparatuur voor ziekenhuizen b.v. Diezelfde motortjes werden ook aan de lopende band geproduceerd voor consumentengoederen, maar die werden niet stuk voor stuk getest en waren daardoor minder betrouwbaar.
De groep werkte in een eigen ruimte ver weg van de grote productiehallen en bepaalde zelf de pauzes en overleg.

Koperdraad wordt op de spoel gezet in een andere ruimte.
De foto’s zijn afkomstig: beeldbank.regionaalarchiefdordrecht.nl

De vrouwen kregen een opdracht voor verschillende modellen, die al eerder geproduceerd waren, maar nu werden bijbesteld.
Ze zochten de bijpassende bouwtekening en verdeelden de taken. Ieder achter haar eigen apparaat, dat opnieuw ingesteld moest worden.
Het was een wonder dat ze mij in de groep toegelaten hadden. Want het was duidelijk dat ik vertraging zou veroorzaken en de vrouwen kregen een premie als de producten binnen de tijd waren opgeleverd. Het was niet echt stukloon, maar voor een gedeelte dus wel. Waarschijnlijk hadden ze mijn komst niet kunnen weigeren, maar ik voelde van verschillende vrouwen ook nieuwsgierigheid naar mijn leven.

Ik kon absoluut niets. Zie lieten mij de contacten schoonmaken. Een kwastje moest ik in een potje met Freon dopen en daarmee over de twee contactpunten wrijven. Aan de tafels voor mij hadden vrouwen de spoelen gemaakt en er nog wat aan gemonteerd en na mij werden ze in stalen huls geplaatst en aan het eind moesten er draadjes aan worden gelast. Dat was voor mij de proof of the pudding. En ja hoor, daar klonk weer “pats!” een steekvlam en verbrandden de contactpunten. Ik had weer niet goed genoeg schoongemaakt. En daar ging er weer een motortje de prullenbak in.

De pasfoto’s
waren voor verschillende toegangspasjes

Snel bleek dat ik allergisch was voor Freon en werd ik van dat schoonmaakwerkje afgehaald.
Jarenlang ging er een rode vlek van de freon door mijn lijf. Tijdens een gesprek kon mijn gesprekspartner soms verstommen en mij met grote schrik aanstaren. Ik wist dat dan de rode vlek door mijn gezicht liep. Naar enige jaren is dat over gegaan.

Dit lijkt om “mijn” ponsmachine maar ik denk dat hier de hulzen van de motoren worden gemaakt

Het enige werk dat ik uiteindelijk aardig kon, was gaatjes ponsen. Dat heb ik de rest van de tijd gedaan.

De vrouwen waren erg aardig voor mij.

In de pauzes voerden we gesprekken waarin we naar elkaars leven vroegen.

Zij waren niet veel ouder dan ik, maar wel allemaal getrouwd.
De echtgenoten van de meeste vrouwen deden het zware werk in de fabriek. Grote metalen platen moesten met verschillende vloeistoffen behandeld worden. De hele dag stonden zij in giftige dampen. Ze droegen beschermende kleding, dikke pakken over hun Philips-overall. Natuurlijk ook handen en hoofd bedekt en gezichtsbescherming en ook speciaal schoeisel.
Maar desondanks zaten er gaten in de kleding, die ze onder de overall aan hadden, vertelden de vrouwen me. Zelfs hun ondergoed was in flarden. Geen van de vrouwen met wie ik regelmatig praatte, had kinderen. Ze waren er van overtuigd dat hun echtgenoten door het werk onvruchtbaar waren geworden. En als dat niet zo was. zouden kinderen zeker geboorteafwijkingen hebben.
Ook in de toekomst desnoods met een andere man, zouden ze geen kinderen willen.

Hun wereldbeeld was zo veel somberder dan het mijne. Kinderen zouden geen toekomst hebben. Deze vrouwen spraken toen al over de natuur die volgebouwd was, een stenen wereld. Maar vooral voelden zij zich machteloos om iets aan de wereldsituatie met altijd oorlog te veranderen. Ook hun eigen leefomgeving werd door anderen bepaald. Zij vonden dat hun eigen werksituatie veel beter was dan die die van de andere vrouwen bij Philips. Zij waren vakvrouwen geworden, dat was echt een stukje carrière. Toch zagen ze geen weg om iets aan hun eigen leven te verbeteren.
Zij zagen de sleur van de dag voor zich tot aan hun pensioen, als ze die zouden halen.
Ik had de hele toekomst nog voor me, al wist ik ook niet wat die zou brengen. Maar ik zat vol met idealen om mijn steentje aan de maatschappij bij te dragen.

Zes weken slechts leefde ik met hen in die sleur:
Al voor 6 uur in het pikkedonker bij de bushalte staan kleumen om te worden opgehaald door de Philipsbus. De hele dag werken en ‘s avonds doodmoe. Omdat het werk is, waarbij je continu moet opletten. Voor mij had de hospita dan warm eten gekookt, maar daarna ging ik gelijk naar bed. Alleen in het weekend ben je weer een beetje mens.


Ik was daar toen erg van onder de indruk. Een wereldbeeld en levensperspectief dat zo anders was dan het mijne.

Wordt vervolgt in deel 2 over Philips Blog 58 “Meisjes van Johan de Witt”