Blog 62: Mijn ouders en de oorlog, een liefdesgeschiedenis

Mijn ouders hebben elkaar ontmoet op een studentenfeest in Tilburg. Waarschijnlijk had een studentenvereniging een groep meisjes uitgenodigd en is mijn moeder met vriendinnen daar naartoe gegaan.
Na mijn moeders dood in 2012 dwarrelden er bij het leegruimen van de boekenkasten steeds meer brieven naar beneden, die achter de boeken gestoken waren. Brieven van mijn vader naar mijn moeder en van moeder naar vader voor hun huwelijk. Mijn ouders zijn echt verliefd geweest, ontdekten wij toen. Ik heb er nog maar een paar brieven van gelezen. De eerste brieven van mijn vader gaan er over dat hij zo graag naar mijn moeder wil komen, maar dat hij dat weekend weer geen vrij heeft gekregen van zijn baas en dus weer niet kan komen. Pas na hun dood zie ik dat ze ook goed bij elkaar pasten.

Beiden katholiek, wilden ze hun middenstandsmilieu ontvluchten door te studeren, wat bij hen thuis not done was. Ze waren allebei idealistisch. Ze wilden niet rijk worden of veel geld verdienen maar leren en misschien wel de wereld een beetje mooier maken. Mijn moeder werkte voor andere,vaak arme, mensen. In zigeunerkampen, in inrichtingen voor zwakzinnige meisjes, voetbalspelen met jongetjes in Floradorp, met steun en advies van de vrouw van Jef Last (van circus Elleboog) begon ze een katholiek kindercircus. De Jodencrèche aan de Plantagemiddenlaan in Amsterdam vond ze echt een luxe leerschool, waar ze nieuwste opvoedkundige dingen kon leren. Al werd ze daar in 1934, nog maar net 20 jaar oud, al geconfronteerd met vluchtelingen die hun kinderen uit veiligheid in pleeggezinnen achterlieten. (zie Blog 39)
Mijn vader werd opgeleid om de kledingzaken van zijn vader over te nemen. Hij had een hekel aan het stagelopen in kledingwinkels en het failliet gaan van de firma Bervoets kwam waarschijnlijk voor hem als een bevrijding. Hij heeft eens verteld dat hij graag geschiedenis had willen studeren. Zijn vader heeft bij het faillissement en de overname van het bedrijf door de boekhouder, geregeld dat mijn vader mocht studeren op kosten van die boekhouder, maar dat moest dan wel economie zijn.

Acht jaar zijn mijn ouders verloofd geweest. Dat was extreem lang voor die tijd. Mijn moeder wilde heel graag snel trouwen en zelf kinderen krijgen, maar mijn vader was somber: het was crisis, maar nog erger: er kon wel eens oorlog komen, door wat er sinds 1933 in Duitsland gebeurde.
In 1941 zijn ze getrouwd en betrokken een bovenwoning aan de Blauwburgwal en in november 1942 beviel mijn moeder van een tweeling in het OLVG, waar toen een afweergeschut op stond. Mijn moeder had wekenlang hoge kraamkoorts.
Het gezondste kind van de twee overleed. Waarschijnlijk hebben ze hem te weinig aandacht gegeven in de couveuse. Mijn vader vreesde voor het leven van mijn moeder, heeft hij me ooit verteld. Waarschijnlijk is niet echt tot mijn moeder doorgedrongen hoe ziek ze toen was. Mijn vader heeft in zijn eentje zijn oudste zoon moeten begraven.
Niet echt een fijne start voor een huwelijk.
Mijn moeder heeft mij op 97 jarige leeftijd toevertrouwd, dat als ze nu (2010) hadden geleefd dat ze waarschijnlijk in de oorlog al gescheiden waren. Dat was best wel een schokkende mededeling, maar ergens heb ik mijn hele jeugd altijd verwijt gevoeld van mijn moeder naar mijn vader.
Er is toen verder niet over gesproken, maar ik dacht sindsdien dit erover:
Mijn moeder hield van kinderen, werkte met kinderen, maar mijn vader was tijdens de oorlog bezig met mannenzaken. Na het begraven van zijn oudste zoon, verwachtte hij dat zijn jongste zoon de oorlog ook niet zou overleven. Mijn moeder heeft gevochten voor het leven van haar kind, maar mijn vader kon dat niet meer. Kinderen waren misschien ook maar lastig bij mannenzaken.

Mijn moeder heeft nooit geweten wat die mannenzaken waren. Terwijl mijn moeder om aan een ei te komen urenlang ver Noord-Holland in moest lopen, nam mijn vader steeds vreemde snuiters in huis, waardoor dat ei ‘s avonds met drie in plaats van met twee mensen gedeeld moest worden.
Mijn moeder wist wel dat mijn vader, die journalist bij dagblad de Tijd was in zijn stukken verholen kritiek over de Duitsers schreef. Twee keer had de Tijd een publicatie-verbod gekregen door een artikel van mijn vader. Ineens kregen mijn ouders een vals paspoort met het bericht dat ze onmiddellijk uit Amsterdam moesten vertrekken. De naam van mijn vader was natuurlijk door die publicaties bekend. En in café Scheltema, waar voor de oorlog ook mijn moeder graag kwam, moet mijn vader contacten hebben gehad met verzetslieden.
Het plotselinge vertrek uit Amsterdam was voor mijn moeder heel erg.
Mijn vader was echt getraumatiseerd door de oorlog en misschien nog meer door alles wat vlak na de oorlog gebeurde: dat de schurken, die in Engeland hadden gezeten aan de macht kwamen en dat joden en communisten niet meer welkom waren.
Het woord oorlog, maar ook het woord Amsterdam was bij ons thuis absoluut taboe. Met mijn vader heb ik niet over iets van de oorlog kunnen praten. Hij is plotseling toen hij nog heel vitaal was, op 79 jarige leeftijd overleden.
Mijn moeder is bijna 99 geworden en in de laatste jaren kwam ze voor een minivakantie vijf keer met kerst bij mij in Amsterdam, waar ook al haar kleinkinderen woonden.
Als we met haar in de rolstoel door de stad reden, vertelde ze verschillende anekdotes over de oorlog op de plek, waar dat zich afspeelde, toen mijn ouders nog in Amsterdam woonden.

selfie, genomen met de zelfontspanner op vakantie

In 2010 heb ik mijn moeder geïnterviewd over hoe zij de bevrijding heeft beleefd.
Ze zei toen: de koude oorlog vond ik nog erger, de voortdurende angst dat alles weer opnieuw zou kunnen beginnen. Voor mij was de bevrijding pas bij de komst van Gorbatsjov en met de val de Berlijnse muur.

Toen mijn vader op zijn 65e met pensioen ging, kon hij de mannenzaken pas van zich afschudden.
Ik hoop eens blogs te schrijven wat die mannenzaken en het werk van mijn vader daarna geweest is.
Maar dat vereist echt onderzoek om alles waarheidsgetrouw op papier te krijgen.

Mijn moeder heeft haar vak, maatschappelijke werk, dat ze voor het huwelijk moest opgeven rond haar 50ste weer opgepakt. Omdat ze tot bij haar 73e heeft doorgewerkt, bracht mijn vader haar nog enige jaren met de auto weg naar de dorpen of stadjes waar haar klanten, douanebeambten, woonden. Na mijn vaders pensioen leek het alsof ze elkaar weer opnieuw ontdekten. Het hele jaar waren ze samen bezig de reis voor de zomermaanden voor te bereiden. Ze vonden niets heerlijker dan twee maanden in Frankrijk of Italië cultuur op te snuiven. Die laatste zeven jaar hebben ze het samen nog echt fijn gehad.

Blog 61: Sex, Bier, Rum (1970/1971); Een buitenhuis van de groep Amsterdamse studenten.

Zeedijk 8 , het dijkhuisje dat later misschien naar het openluchtmuseum te Arnhem zou gaan.

Het zal in de nazomer van 1970 zijn geweest dat een goede vriendin mij vroeg om mee te rijden naar Friesland, waar gezamenlijke vrienden van ons, die zomer een huisje hadden.
Bij aankomst zag het er heerlijk uit. Een huisje aan de dijk en verder niets er omheen dan gras en bouwland. In de weilanden verder weg lag nog één prachtig opgeknapte rustieke boerderij.
En verder leegte van de zee en land.
Het bleek dat onze vrienden met vrienden van vrienden een leegstaand huisje bewoonbaar hadden gemaakt. Het was een diffuse groep studenten uit Amsterdam, die in de zomer onderling regelden wie daar een tijdje in dat paradijsje mocht wonen.
Zo ging dat vroeger, ook in Amsterdam. Je zag een huis dat al heel lang niet bewoond was, je informeerde naar de eigenaar en maakte kennis met de buren. De term kraken werd later vooral voor politieke actie gebruikt. Ikzelf heb ook jaren zo zonder huur te betalen gewoond in een leegstaande huis of bedrijfspand, dat we zelf onderhielden.

Het dijkhuisje was ooit onteigend omdat de dijk verzwaard moest worden. Alle huizen op de dijk waren al afgebroken, maar dit huisje stond er nog. We dachten, omdat het als arbeidershuisje nog helemaal in de originele staat was, dat het ooit verplaatst zou worden, daarom waren we er best zuinig op.
Ik ben er later dat jaar verschillende keren naartoe gelift en waarschijnlijk heb ik toen ook hele einden gelopen. Ik herinner me vooral de keren dat ik daar alleen was en de wind om en door het huisje gierde.
Daar genoot ik van. Helemaal alleen met de elementen, de golven die ik hoorde klotsen tegen de dijk. Totaal verlaten. Het was niet mijn huis, er konden dakpannen of iets anders van af waaien. Repareren deed ik alleen met vuilniszakken en ducktape.

Cor zet een palinglijn uit in de sloot. Die dagen aten we dankzij Cor dagelijks vis.

Je wist nooit hoe je het huisje zou aantreffen. Er was geen enkele communicatie tussen de gebruikers. We hadden geen telefoons toen. Maar heel weinigen waren zo gek als ik, om daar spontaan heen te gaan, als je niet zeker wist dat de zon scheen.
Altijd als ik kwam en er was niemand, moest het huisje eerst schoongemaakt worden om er te kunnen wonen. De resten van de feesten, trof ik daar een paar keer: De hele keuken vol met lege bierflesjes, wijn- en drankflessen. Overal emmertjes, niet zozeer tegen lekkage, maar meestal vol met rood geworden pis. En anders waren er wel muizen of andere dieren actief geweest. Ik vond het geen probleem. Van de bierflesjes had ik weer statiegeld. De andere flessen zette ik in emmers onder aan de dijk. Want er kwam een vuilnisman langs af en toe.

Cor

Er moet daar ook een oude fiets geweest zijn, want de eerstvolgende boerderij, die in bedrijf was, was toch wel een half uur lopen. Bij die boer haalde ik verse melk en hij had ook een kas met groenten.
Ik dacht altijd dat Friezen stug waren en dat ze van die rare studenten, flierefluiters, niets zouden willen weten. Maar het tegendeel was waar. De mensen in het gehucht Oosterbierum waren buitengewoon vriendelijk en behulpzaam voor ons. Het bleek dat vóór ons, het huisje was gekraakt door echte junks, waar ze veel overlast van hadden gehad. Daarom werden wij gekoesterd.
Ik vermoed dat in Oosterbierum ook nog een soort van kruidenier’tje was om koffie en brood te kopen, waar ik de flesjes kon inleveren. Nu is er in Oosterbierum geen enkele dorpswinkel en in Sexbierum, waar het bijhoort is nu nog (of weer?) een bakker. In Sexbierum was toen een kroeg, waar we bij binnenkomst standaard verwelkomd werden met de kreet ”Sex, Bier, Rum!!”

Tineke, Theo, Yvonne

Het was voor mij en Amsterdamse vrienden en kennissen wel de jaren van de “one night stands” of meerdere lovers tegelijk. De vrijheid door het slikken van de pil, die er net was. Maar ook binnen de woongroepen waarin ik daarna in onbewoonbaar verklaarde woningen in woonde, was ik altijd heel braaf. Ook aan de zeedijk 8 te Oosterbierum gold dat sex, bier en rum niet voor mij.
Als ik in winterweer daar kwam en er was al een iemand aanwezig, was dat fijn. Het huisje was al bewoont. Dat was natuurlijk altijd een man, soms twee. Maar die waren van het brave type. Zij hielden van timmeren en zagen, want aan het huisje viel altijd wel wat te repareren of verbeteren. We deelden de keuken en kookten samen. En luisterden daarna bij de kachel naar de storm en het striemen van de regen en of het huisje dan nergens lekte. Het huisje was groot genoeg om verder je eigen gang te gaan.

Ik had instrumenten meegenomen: fluiten gekocht bij de Chinees in de Damstraat en de gitaar die ik van een klasgenoot had gekregen in het laatste schooljaar, toen ik ziek was.

In de keuken was altijd water, tenzij het heel hard vroor. Er was een pomp van een eigen put, zoals je die nu nog wel eens buiten op een dorpsplein ziet, maar dan gelijk boven de gootsteen. We stookten hout, maar er was ook een gasfles. We hadden natuurlijk olielampen en kaarsen, maar die woeien te makkelijk uit.

Frits en Yvonne

Het was balen als er bij aankomst helemaal geen gas of olie was, maar de volgende dag kon je toch in het dorp vragen of ze iets kwamen brengen. Maar bijna altijd was er wel iets om je in de keuken aan te warmen. Want ook de voor mij onbekende “feestvierders”, die alleen kwamen om na een weekend een bende achter te laten, waren best sociaal.
Er stond in de keuken een potje met geld en een kasboekje voor onderhoud en gebruik van het huisje. En er was natuurlijk een logboek, waarin je schreef dat je er was geweest, hoe het er was en wat je had gedaan.
Zo ging dat vroeger.

De foto’s zijn genomen in de zomer van 1971

Blog 60: Vader zijn in de jaren ‘50 en ’60 was ook niet makkelijk..

1967 Vader zit tegen de verwarming. Foto: Maria

“Waarom schrijf je alleen over je moeder” vroegen verschillende vrienden mij. “ Welke rol speelde je vader in je leven?
In de zeven jaren dat ik in Breda woonde, heeft hij nauwelijks een rol gespeeld.
Mijn vader moest werken. Mijn vader werkte bij de bank van Van Mierlo. Een onderduikersbaan werd dat bij ons thuis genoemd. Toen mijn ouders hals over kop in 1944 van Amsterdam naar Breda verhuisden, hadden ze wel een woning, maar mijn vader had geen werk en dus was er geen inkomen. Mijn vader ging op de fiets de stad in en ergens ontmoette hij de heer Van Mierlo die hem een baan aanbood.
Ik denk niet dat mijn vader, die journalist was, een bank runnen een leuke baan vond, maar hij deed het heel toegewijd. Hij was weg als wij opstonden en mijn moeder stopte ons in bed voor hij om 18.30 thuiskwam. Het is mogelijk dat hij weleens voor de middagboterham naar huis ging, maar dan ontmoetten wij elkaar in ieder geval niet.
Op zondag, dat heeft mijn moeder heel vaak verteld, stonden mijn vader en moeder met op de fiets ieder een kind om naar het bos te gaan en dan belde de bank dat er iets moest gebeuren en dan werkte mijn vader ook de hele zondag. Ik herinner me vooral de zondagen dat we heerlijk speelden op het Cadettenkamp, een grote vlakte met zandheuvels en ook nog een ijsje kregen, als de ijscokar er stond. Altijd alleen met mijn moeder. ‘s Avonds werkte mijn vader aan een proefschrift.
Toen mijn vader in 1954 promoveerde was ik vijf en mocht niet mee naar de promotie en het feest, omdat ik te klein was. Tante Jo paste op mij en waarschijnlijk heeft zij me even op het feest geshowd.
Dankzij dat proefschrift zijn we twee jaar later naar Rotterdam verhuisd en heb ik mijn vader leren kennen.

1959 Vader in Renesse. De eerste en voorlopig de laatste keer dat hij aardappels schilde. Hij vond het geluid van het plonzen in de emmer leuk. Foto: moeder met vaders box.

Het verhaal dat mijn vader vanuit zijn eerste loonzakje de tientjes in de kamer in de hoogte gooide al roepend: “Nu zijn we rijk! ” is mij zo vaak voorgedaan, dat het bij mij een actieve herinnering is geworden. De lichtbruine langwerpige papieren loonzakjes van de eerste jaren in Rotterdam herinner ik me goed.

Op zondag was mijn vader vrij en we gingen vanaf de zomer waarin ik negen werd ook op vakantie. Ik was de jongste. Mijn moeder toog met de drie kinderen voor veertien dagen naar Renesse. Het eerste jaar kwam mijn vader een weekend en in de tweede vakantie een hele week. De jaren daarna organiseerde mijn vader vakanties; zo gingen we met een gehuurde auto naar Frankrijk.

Op de vrije zondagen bedacht Vader wel eens uitstapjes, zoals op de fiets naar de sluizen bij Capelle aan de IJssel. Of we gingen naar Museum Booijmans dat toen nog gratis of 10 cent was.

Van mijn vader in Breda heb ik de geweldige herinnering dat we samen stonden te zingen tijdens de mis. Mijn vader vond het heerlijk om op zondag naar de Heilig Hartkerk te gaan. Daar was een hoogmis met drie heren. Ik vond het fantastisch om naast mijn vader te staan en het gregoriaans in het latijn te zingen. Het is zeker de basis geweest van mijn muziekbelangstelling veel later en vergemakkelijkte het leren van talen. Ik denk dat mijn moeder en zus niet zo blij waren met deze langdurige zondagse activiteit. Ook de Pasen met donderdag, vrijdagmiddag uren in de kerk en dan de Paaswake midden in de nacht vond ik geweldig, door de hechte band, die ik op dat moment met mijn vader had.
In Rotterdam gingen we naar de buurtkerk. Daar werd wel gezongen, maar daar schaamde ik mij vaak vreselijk om mijn vader. Mijn vader ging altijd met het gezin op de eerste rij zitten, hoewel daar naambordjes op zaten van mensen die die plaats hadden gekocht. En dan kwam zo’n madam met een bontjas aan als de mis al begonnen was. Boos wees zij dan naar mij dat ik op moest staan. En stond mijn vader, die heel erg groot was, pontificaal langzaam op en ging ergens anders zitten. En dan moest ik de mis verder op die eerste rij met mijn moeder en zusje uitzitten.

Mijn vader ontbeet nog steeds eerder dan de rest van het gezin, maar we zagen elkaar meestal wel voor schooltijd heel even. Als wij in onze nachtpon of pyjama naar beneden kwamen, luisterde vader naar het nieuws. De radio was van mijn vader. Mijn moeder hield niet van “muziek of lawaai”. De kinderen mochten niet aan de radio komen. Op zondag luisterde mijn vader naar J.B.G.Hilterman en de hele dag schalden er missen door het huis. Gregoriaanse, Oud-griekse of Grieks-orthodoxe missen. Ik vond het machtig interessant dat mijn vader door te draaien aan de knop van de grote radio het staafje bij het juiste cijfertje plaatste en zo contact had met landen die zo ver weg waren.

De eerste jaren in Rotterdam was hij echt zo’n vader als uit de reclame van “wie is toch die man die zondags het vlees snijdt?” Mijn vader had dan ook nog de pech dat, als hij het vlees wilde snijden, dat mijn moeder op de speciale vleesplank voor hem had neergezet, zij altijd, als ze binnenkwam met een schaal riep:”Karel wat doe je nou!!” Als kleindochter van de slager wist ma veel beter in welke richting het vlees gesneden moest worden.

Mijn vader was erg trots op zijn kinderen en wilde voor ons heel graag een goede vader zijn.
Hij wou inhalen wat hij gemist had, toen we klein waren. Zo begon hij ons ‘s avond voor te lezen.
“Alleen op de wereld’, “Niels Holgerssons wonderlijke reis” en “Levende Bezems” van Lisa Tetzner en Dickens. Ik zat weer op het voetenbankje, met Clara en mijn vader behaaglijk rond de kolenkachel. Na twee jaar waren we echt te oud, boven de 12 en 14 jaar en gingen we na het eten en de afwas naar onze kamer om huiswerk te maken.

Koken of iets anders in het huishouden kon mijn vader niet.
Maar ineens kreeg hij ook de zaterdag vrij en wilde hij op zaterdag koken.
Vader kon goed biefstuk bakken, dus zaterdags aten we toen soms biefstuk met brood om in de jus te dopen. Dat vonden we echt lekker en feestelijk.
Mijn zus en ik moesten zaterdags nog de hele ochtend naar school.
Mijn vader wilde ons dan als we uit school kwamen verwennen met een mooi gedekte tafel en verse warme broodjes van de speciale bakker.
Maar na een paar maanden al, lieten wij hem met de broodjes in de steek.
Mijn zus had inmiddels de MMS afgerond en zat op de Sociale Academie. Daar maakte zij kennis met de SCI (Zie blogs 9, 40 en 44 ) en ging in de weekenden vrijwilligerswerk doen en ik ging al heel snel met
haar mee. Ik kwam in een spijkerbroek met verfspatten op school en zodra ik thuis was, vlogen we de deur uit om woningen op te knappen van bejaarden, bij wie de kolenkachel was ontploft.
We maakte ook niet mee hoe, mijn vader langzaam de kookkunst meester werd, want in de
groep kookten en aten we ‘s avonds samen. Ook de zondag waren we weg en ik denk dat we ook te laat voor de zondagse maaltijd thuis kwamen.

Mijn vader heeft echt maar weinig kans gekregen om van ons als kinderen te genieten.

Pas toen ik zelf volwassen was, heb ik als student mijn vader goed leren kennen,
maar daarover een andere keer.

Blog 59: Mijn moeder en ik, Familiegewoontes bleek EDS.

1967 Moeder stopt nylonkousen, foto Maria

Toen mijn dochter, die de diagnose hEDS *) heeft tegen mij zei: “Maar ma dat heb jij toch ook?”, was het even stil. Natuurlijk had zij de ziekte die erfelijk is van mij. Dat lenige, die losse gewrichten, dat heb ik altijd gehad. Ik heb het meer als een familieding beschouwd dan als een ziekte.
Denkend aan EDS zie ik mensen voor me, die zitten in een rolstoel of blijvend op bed liggen en met hulpmiddelen hun gewrichten ondersteunen. Het komt me voor alsof ik min of meer door het leven ben gefietst, hoewel ik nu pas besef dat hEDS ook mijn leven heeft bepaald.
Dat ik geen vreselijke verwondingen heb opgelopen komt door mijn moeder. Zij heeft mij vanaf de geboorte goed “gediagnosticeerd”. Ze zag dat ik de zelfde eigenaardigheden had als zijzelf, maar heeft mij nooit het gevoel gegeven dat ik afwijkend was van andere kinderen.
Pas toen ze 97 jaar was vertelde ze mij terloops dat zij als kind veel ziek geweest was en anderhalf jaar op een plank was vastgebonden. Vanwege “Engelse ziekte”, maar ze voldoet niet aan de symptomen van de ziekte, die nu Engelse ziekte (Rachitis) heet. Tot voor kort dacht ik en ook mijn moeder zelf dat wij in onze familie ontstekingsreuma hadden. Dat was ook zo, maar nu weet ik dat in mijn familie behalve reuma ook EDS heerste. Dat verklaart ook het overlijden van mijn enige zus op 52 jarige leeftijd door aantasting van haar darmen en later al haar ingewanden, terwijl zij heel zwaar “reuma” had.

Tegelijkertijd met maatschappelijk werk had mijn moeder “kinderverzorging en opvoeding” gestudeerd. Ze had in verschillende kindertehuizen gewerkt. Ook in een tehuis voor “achterlijke kinderen”, zoals mijn moeder dat noemde. En geloof maar, dat daar ook kinderen tussen zaten, die een of andere handicap hadden en helemaal niet achterlijk waren.
Mijn moeder wist heel veel van kinderen en over ziekten. Ze lette ook op onze gezondheid.
Omdat mijn zus klompvoeten had, moesten we altijd knikkers rapen met onze tenen. Op onze tenen hardlopen. Mijn moeder maakte van allerlei “gymnastiekoefeningetjes” spelletjes en ze deed zelf ook enthousiast mee.

1958 Moeder bouwt een schip, dat de zee zal verwoesten. foto vader

Zo gingen we buiten badmintonnen, met als doel zo vaak mogelijke heen en weer slaan.
“En nu allemaal het racket in de andere hand” riep mijn moeder dan plots.
Want het ging niet om het winnen, maar om het spel en ook om de gezondheid.
De drie kinderen van ons gezin waren heel verschillend.
Ik had mijn eigenaardigheden:
Toen ik als peuter leerde lopen, zakte ik door mijn enkels. Daarom kreeg ik hoge schoentjes en vanaf mijn tweede jaar tot mijn 17e droeg ik een bril vanwege een lui oog. Ik heb nog steeds twee heel verschillend werkende ogen en dat is O.K.

1950 mijn eerste verjaardag: Jan, ma, ik, Clara. foto heerom Piet

Op de lagere school kreeg ik twee keer gordelroos en een keer netelroos. Dan lag ik in quarantaine en niemand mocht bij me komen, de familie en vriendjes mochten heel even om het hoekje van de deur kijken. Maar heel vaak zei mijn moeder: “Blijf maar lekker thuis, ik vind het zo gezellig, als er nog een kind thuis is.” Het was ook gezellig thuis. Ik zat vaak op een voetenbankje als mijn moeder boven mij stond te strijken. Later maakte ik op de naaimachine poppenkleertjes en nog later bakte ik het hele dokter Oetker taartenboekje.
Ik was dubbel zo lang als mijn klasgenoten. Eigenlijk paste ik niet in de schoolbank, van die Ot-en-Sien banken, stoel en tafel zaten aan elkaar vast met een inktpot er in. Ik denk achteraf dat moeder dat wist. Die banken waren echt te klein voor mij. En stilzitten kon niemand bij ons. Alle drie de kinderen zaten op de achterpoten van de stoelen te wiebelen. Omdat toen ik klein was, de stoelen wat gammel waren, zaagde mijn moeder de leuningen van de stoelen, zodat de kinderen niet meer konden wiebelen en die stoelen nog een paar jaar langer meekonden.

Foto: 1966 Ma houdt van spelletjes, ik kan speelkaarten niet met één hand vasthouden. Foto Jan.

Op de middelbare school kreeg ik mijn kaak niet meer open na het verwijderen van een verstandskies, die niet door zou kunnen komen. Toen enkele weken daarna de kaak ook nog ging ontsteken, zei mijn moeder: “Ga maar naar tante Nel aan zee”. Ik ben toen ruim een half jaar niet naar school geweest.
Maar nog vaker was ik thuis doordat docenten mij vroegen: “Ben je ziek??”. Ik zei dan enthousiast “ja”. De meeste gymnastieklessen had ikzelf afgezegd. Dat was een martelgang. Ik heb heel lang gedacht dat sportlieden heel erge masochisten waren.
Eigenlijk heb ik mijn hele leven als ik niet in beweging was, meer liggend dan zittend door gebracht.
In Rotterdam in 1956 kregen mijn zus en ik een eigen kamer. Daarin stond een bed en daarnaast een stoel. Meer paste er niet in. De deur ging ook niet helemaal open, want die kwam tegen het bed aan. De ruimte naast het bed zal niet meer dan 50 cm geweest zijn. Als we niet in de huiskamer waren, leefden we op ons bed, maakte daarop huiswerk. Ik was niet anders gewend en zo is het gebleven. Ik lees of studeer het liefs liggend.

1967 ma op het balkon, foto Maria

Ik heb mijn leven altijd heel normaal gevonden. Met een gekneusde rib heb ik gewoon doorgewerkt. Ik brak eens in de trein een rib. Ik lag misselijk van de pijn in het gangpad, maar stapte wel op tijd uit om bij de vriendin op bezoek te gaan. Ik heb net als mijn moeder, weet ik nu, een heel hoge pijngrens.
Al vanaf dat ik heel klein was, zei ze vaak tegen mij; “Het enige voordeel van pijn is dat het altijd weer over gaat”.
Daarom zei ik tegen mijn dochter, toen zij zei, dat ik EDS heb: ”Maar ik heb toch geen pijn?”
Toen zei ze heel boos tegen mij:”jij hebt altijd pijn!”. Dat was even slikken. Natuurlijk heb ik altijd wel ergens pijn. Net als mijn moeder reageer ik tegendraads op medicijnen. Ik verdraag geen pijnstillers of slaapmedicatie. Pijn is misschien niet leuk, maar voor mij wel noodzakelijk, want het helpt mij om mijn grenzen te bewaken. Ik ben er aan gewend en zo kan ik naar mijn lichaam luisteren.
Ik heb mij nooit afgevraagd hoe anderen hun leven inrichten met pijn. Pas door dit gesprek met mijn dochter ben ik naar mijn jeugd gaan kijken en denk dat die misschien wel iets anders was dan die van de meeste kinderen.

2002 Anton van Duinkerken en moeder in Bergen op Zoom, foto Hanna

Bij moeders crematie las neef Bernard het tweede deel uit  ‘Liedjes voor de kleine Lucie’ voor van Anton van Duinkerken, haar broer. Pas toen hoorde ik dat zij “het zieke zusje” in zijn verhalen was.
Moeder had mij altijd gezegd, van Duinkerken dat moet je niet lezen. Dat is zo ouderwets, toen waren we nog zo katholiek. Dus zoals vele van haar goede raadgevingen heb ik ook deze opgevolgd.
Pas veel later las ik “de Ravenzwarte” een boekje van van Duinkerken over zijn jongere broer.
Daarin zegt mijn moeder als kind vanaf haar ziekbed tegen haar zes jaar oudere broer: “Je moet meer uitgaan en naar de meisjes kijken”. Als jonger zusje was ze toen al wijs en gaf goede raad.

En uiteindelijk is het “zieke zusje” verre weg de oudste van de hele familie geworden.

vlnr: Doris (de Ravenzwarte), Willem (Anton van Duinkerken), Piet, Tjieu, Luus (mijn moeder) Jo, Cor, Nel.

*) voetnoot
EDS, Ehlers-Danlos-Syndroom is een erfelijke bindweefselziekte: de banden rondom alle gewrichten zijn te lang. Daardoor kunnen gewrichten makkelijk uit de kom schieten. Naast gewrichten kunnen ook spieren en zenuwen zeer pijnlijk zijn.
Daarbij is het een syndroom met nog allerlei verschijnselen, die per persoon kunnen verschillen.
Zoals tegendraadse reactie op medicijnen, niet verdoofd kunnen worden, “pukkelziektes” en insectenbeten, en extra bloedverlies bij wonden en makkelijk vallen of stoten (deze dingen heb ik dus ook), maar mogelijk is ook: niet opnemen van vitaminen, last van darmen en organen, botvergroeiingen enz.
Bij mij is het effect dat ik altijd in beweging moet blijven, wil ik geen verwondingen oplopen.
Daardoor heb ik een slechte nachtrust en ben chronisch moe.

Er zijn verschillende typen EDS. B.v. hEDS is de hypermobiel EDS en vEDS vasculair, dan zijn ook de bloedvaten te slap en kan je hart het begeven.




Blog 58: Meisjes van Johan de Witt, werken in een Philipsfabriek, deel 2 en Philipsgroep

Vóór mijn 6 weken stage bij de Philipsfabriek in Dordrecht echt begon, (zie blog 57) heb ik twee weken op andere afdelingen gewerkt en een week door de hele fabriek rondgelopen en interviews afgenomen van werkbazen en andere Philips medewerkers..
Ik beschrijf in het onderstaande artikel in De Groene Amsterdammer het werken door jonge meisjes in de grote hallen.
Wat ik mij daarvan nu het meeste herinner zijn de hallen met vrouwen van niet-Nederlandse achtergrond, die werkten aan de lopende band. Per band dezelfde nationaliteit. Aan meeste banden hadden de vrouwen een koptelefoon op. Door de grote lawaaierige hallen klonk altijd zeer luid muziek. Een paar uur Turkse muziek, daarna Joegoslavische , Italiaanse of Griekse muziek. Daar werd de meeste productie geleverd voor het minste loon. Ik schrijf daar niet over. Waarschijnlijk was ik voorzichtig omdat ik Philips nog nodig had voor onderzoek..

De tekst boven de kop van dit artikel is niet van mij. Het traject bij de theologen duurde 3 maanden. Via de theologische faculteit in Rotterdam kon ik in Dordrecht terecht. Twee keer daarvoor was een stage de dag voor ik zou beginnen afgewezen. Ik was toen lid van de Philipsgroep Amsterdam. Blijkbaar was dat voor Philips zeer verdacht, want niet alleen ik maar ook andere leden kwamen niet door de screening.

De Philipsgroep Amsterdam
was een projectgroep aan de Universiteit van Amsterdam, die we als studenten hadden opgericht.

“In een projectgroep zou theorie (universiteit) en de praktijk (arbeidersbeweging) met elkaar verbonden worden.” “I.p.v. de vakken economie, statistiek, sociologie en psychologie bestudeerden studenten een thema in al zijn facetten.” We maakten eerst een gezamenlijke werkmap. Hierin werd een theoretisch kader uiteengezet en schreven we alles op dat we tot dan toe (1976) wisten over Philips. Daarna heeft ieder een eigen thema en vraagstelling gekozen en is dat gaan onderzoeken. Uiteindelijke heeft bijna iedereen een eindscriptie gemaakt over heel uiteenlopende thema’s als werkstructurering, natuurlijk verloop, of vakbonden en Philips in Italië.

Ikzelf werkte inmiddels in Hoorn en werd door de plaatselijke vakbondsafdeling benaderd met de vraag hoe het nu mogelijk was dat Hoorn hoofdvestiging was geworden voor Huis- en Bedrijfstelefonie, terwijl de werkgelegenheid daar terugliep.

mijn eindscriptie

Ik stortte mij op het vestigingsbeleid, de motieven Philips om zich ergens te vestigingen of bedrijven te sluiten en de ontwikkelingen in de telefooncentrale-industrie en stuitte toen op de toen nog onbekende run-awaystrategie naar “derdewereldlanden”

Niet bekend in Nederland was toen dat de nieuwste types telefooncentrales ontwikkeld werden in Zuid Oost Azië en in Brazilië werden geproduceerd. Er was nog geen internet dat alle info de wereld over stuurt. Met ieder hoofdstuk dat ik af had, ging ik naar Maarten van Klaveren, die dan enthousiast riep:
”ik ga het gelijk laten vertalen voor de scholingen van de Internationale Vakbond”.
Dat motiveerde mij natuurlijk wel om verder te gaan. Uiteindelijk was mijn verhaal in 1979 af: 242 helemaal vol getypte A4tjes met handgetekende statistieken.
Het is door verschillende organisaties en individuen gekopieerd.
Ik had geen geld of tijd om het in boekvorm uit te geven, dat een docent aan de universiteit van mij eiste, maar het gaf mij voldoening dat mijn werk de doelgroep bereikte.

Lees ook het eerste blog over werken in de Philipsfabriek “Blog 57: Vrouwen van Johan de Witt”

Blog 57: Vrouwen van Johan de Witt, werken in een Philipsfabriek (1975)


Testen van motoren

Tijdens mijn studie ben ik stage gaan lopen in een Philipsvestiging in Dordrecht.
Ik had al veel gezien op mijn avontuurlijke reizen, maar ook de 6 weken stage bij Johan de Witt zal me bij blijven als een andere wereld dan waar ik in leefde.
Ik werd geplaatst op een elite-afdeling, een kleine groep vakvrouwen die geheel zelfstandig werkten. Ze produceerden motortjes voor apparaten die niet mochten falen. Apparatuur voor ziekenhuizen b.v. Diezelfde motortjes werden ook aan de lopende band geproduceerd voor consumentengoederen, maar die werden niet stuk voor stuk getest en waren daardoor minder betrouwbaar.
De groep werkte in een eigen ruimte ver weg van de grote productiehallen en bepaalde zelf de pauzes en overleg.

Koperdraad wordt op de spoel gezet in een andere ruimte.
De foto’s zijn afkomstig: beeldbank.regionaalarchiefdordrecht.nl

De vrouwen kregen een opdracht voor verschillende modellen, die al eerder geproduceerd waren, maar nu werden bijbesteld.
Ze zochten de bijpassende bouwtekening en verdeelden de taken. Ieder achter haar eigen apparaat, dat opnieuw ingesteld moest worden.
Het was een wonder dat ze mij in de groep toegelaten hadden. Want het was duidelijk dat ik vertraging zou veroorzaken en de vrouwen kregen een premie als de producten binnen de tijd waren opgeleverd. Het was niet echt stukloon, maar voor een gedeelte dus wel. Waarschijnlijk hadden ze mijn komst niet kunnen weigeren, maar ik voelde van verschillende vrouwen ook nieuwsgierigheid naar mijn leven.

Ik kon absoluut niets. Zie lieten mij de contacten schoonmaken. Een kwastje moest ik in een potje met Freon dopen en daarmee over de twee contactpunten wrijven. Aan de tafels voor mij hadden vrouwen de spoelen gemaakt en er nog wat aan gemonteerd en na mij werden ze in stalen huls geplaatst en aan het eind moesten er draadjes aan worden gelast. Dat was voor mij de proof of the pudding. En ja hoor, daar klonk weer “pats!” een steekvlam en verbrandden de contactpunten. Ik had weer niet goed genoeg schoongemaakt. En daar ging er weer een motortje de prullenbak in.

De pasfoto’s
waren voor verschillende toegangspasjes

Snel bleek dat ik allergisch was voor Freon en werd ik van dat schoonmaakwerkje afgehaald.
Jarenlang ging er een rode vlek van de freon door mijn lijf. Tijdens een gesprek kon mijn gesprekspartner soms verstommen en mij met grote schrik aanstaren. Ik wist dat dan de rode vlek door mijn gezicht liep. Naar enige jaren is dat over gegaan.

Dit lijkt om “mijn” ponsmachine maar ik denk dat hier de hulzen van de motoren worden gemaakt

Het enige werk dat ik uiteindelijk aardig kon, was gaatjes ponsen. Dat heb ik de rest van de tijd gedaan.

De vrouwen waren erg aardig voor mij.

In de pauzes voerden we gesprekken waarin we naar elkaars leven vroegen.

Zij waren niet veel ouder dan ik, maar wel allemaal getrouwd.
De echtgenoten van de meeste vrouwen deden het zware werk in de fabriek. Grote metalen platen moesten met verschillende vloeistoffen behandeld worden. De hele dag stonden zij in giftige dampen. Ze droegen beschermende kleding, dikke pakken over hun Philips-overall. Natuurlijk ook handen en hoofd bedekt en gezichtsbescherming en ook speciaal schoeisel.
Maar desondanks zaten er gaten in de kleding, die ze onder de overall aan hadden, vertelden de vrouwen me. Zelfs hun ondergoed was in flarden. Geen van de vrouwen met wie ik regelmatig praatte, had kinderen. Ze waren er van overtuigd dat hun echtgenoten door het werk onvruchtbaar waren geworden. En als dat niet zo was. zouden kinderen zeker geboorteafwijkingen hebben.
Ook in de toekomst desnoods met een andere man, zouden ze geen kinderen willen.

Hun wereldbeeld was zo veel somberder dan het mijne. Kinderen zouden geen toekomst hebben. Deze vrouwen spraken toen al over de natuur die volgebouwd was, een stenen wereld. Maar vooral voelden zij zich machteloos om iets aan de wereldsituatie met altijd oorlog te veranderen. Ook hun eigen leefomgeving werd door anderen bepaald. Zij vonden dat hun eigen werksituatie veel beter was dan die die van de andere vrouwen bij Philips. Zij waren vakvrouwen geworden, dat was echt een stukje carrière. Toch zagen ze geen weg om iets aan hun eigen leven te verbeteren.
Zij zagen de sleur van de dag voor zich tot aan hun pensioen, als ze die zouden halen.
Ik had de hele toekomst nog voor me, al wist ik ook niet wat die zou brengen. Maar ik zat vol met idealen om mijn steentje aan de maatschappij bij te dragen.

Zes weken slechts leefde ik met hen in die sleur:
Al voor 6 uur in het pikkedonker bij de bushalte staan kleumen om te worden opgehaald door de Philipsbus. De hele dag werken en ‘s avonds doodmoe. Omdat het werk is, waarbij je continu moet opletten. Voor mij had de hospita dan warm eten gekookt, maar daarna ging ik gelijk naar bed. Alleen in het weekend ben je weer een beetje mens.


Ik was daar toen erg van onder de indruk. Een wereldbeeld en levensperspectief dat zo anders was dan het mijne.

Wordt vervolgt in deel 2 over Philips Blog 58 “Meisjes van Johan de Witt”

Blog 56 : Lockdown 3: Raamfoto’s, Verhuizing naar Almere (fotoboek).

De foto’s in dit blog zijn van mei t/m oktober 2021. En verwijzen niet direct naar de tekst.
Het fotoboek bij dit verhaal is van oktober 2020 t/m maart 2021.

https://www.albelli.nl/onlinefotoboek-bekijken?widgetId=99fc1b36-9db8-4872-b672-d5d83ec579d6

———–
We komen niet meer van het coronavirus af, zeggen de NOS en kranten ons. We gaan nu in een milde Lockdown en nog erger in steden wordt met geweld gedemonstreerd.
In de eerste lockdown, besloot ik op een nacht dat ik weg moest uit Amsterdam (zie blog 53) en kwam gelijk in actie. Ik vond geschikte appartementen in Egmond, Bergen, Heemstede en Castricum, maar het werd tot mijn eigen verrassing Almere.
Niemand ging toen in de tram of trein. Ik nam een Taxi naar Castricum en een paar dagen later naar Almere om huizen te bezichtigen. De taxi werd voor iedere klant grondig gesopt en met een mondkapje op, zat ik achterin beschermd door een degelijk scherm. Ook taxibedrijven verdienden niets meer. Voor een lange afstand waren de taxi’s goedkoop geworden. En we reden supersnel over totaal lege snelwegen en weggetjes.

Lockdown was toen echt lockdown. Iedereen bleef thuis. Contact met mijn dochter en vrienden was al maanden alleen per telefoon. Niemand mocht bij iemand naar binnen. Dus etentjes bij vrienden of familie waren er niet meer.
Ik liep in Amsterdam al jaren twee keer per dag een wandeling en kende daardoor veel mensen met honden, waarmee ik dan een praatje maakte. Maar nu kwam ik heel wat meer buren en buurtgenoten tegen op mijn rondes. Een blokje om lopen of een praatje bij de glasbakken; iets anders was er niet te doen, nu alles dicht was. Op anderhalve meter stonden we op straat te kletsen. Vanaf mijn balkon aan de straatkant had ik voortdurend “balkongesprekjes”.
Burencontacten waren ineens voor iedereen belangrijk geworden.

Naar een winkel ging ik niet meer. Iedere 14 dagen bracht de Jumbo mijn boodschappen. Ik voelde me als de mensen die Floortje Dessing aan het einde van de wereld bezocht, die dan een keer per half jaar boodschappen deden. Omdat ik ging verhuizen maakte ik alle kasten leeg en vond nog pannenkoekmeel of een kilo linzen, die zeker 10 jaar oud was. Al dat etenswaar bleek goed bewaard en nog smakelijk. Dus werd ik net als heel Nederland creatief in de keuken en bakte quiches en kookte soepen.

Op 5 mei tekende ik digitaal het koopcontract en ineens had ik een huis in Almere gekocht. Maar het werd pas 29 september opgeleverd. Bij de koop van mijn huis dacht ik dat Covid19 allang geschiedenis zou zijn tegen de tijd dat ik in Almere zou gaan wonen.

Ik had inmiddels een heerlijke week vakantie op Texel achter de rug. De restaurants serveerden afhaalmenu’s die ik in mijn hotelkamer kon opeten.
Maar toen ik in mijn paleis in Almere de dozen ging uitpakken, was het virus echt nog niet weg.
Er moest nog wat geklust worden en mijn interieurbouwer kreeg corona, maar lastiger was dat alle winkels nog steeds dicht waren. En omdat heel Nederland aan het klussen was geslagen, waren dingen als gordijnen en vooral gordijnroeden helemaal niet te krijgen. Het duurde 3 maanden voor ik de pannen die ik besteld had voor de inductiekookplaat eindelijk kreeg.

Ik liep mijn ommetjes in de Pampushout: de bossages en de landbouwvelden. Ik liep daar helemaal alleen. Op de TV de beelden dat te veel mensen in de natuur gaan lopen. Hier kwam ik op het fietspad wel buren met honden tegen, maar op de graspaden, die voor de voetgangers worden gemaaid, kom ik meestal helemaal niemand tegen.

De rust die ik zocht en nodig heb, heb ik hier wel gevonden:
Ik kan op ieder moment van de dag voor een siësta of een powernap op bed gaan liggen.
Door het slaapkamerraam zie ik de steeds wisselende luchten en weet dat die wolken boven de prachtige bossen zijn, op 10 minuten loopafstand.

Helemaal alleen in bossen, op het platteland zou ik toch niet kunnen wonen.
Ik schuif in de vroege ochtend de gordijnen opzij en kijk wie er ook wakker is. Ik zie her en der een raam verlicht, al weet ik niet wie er woont, het geeft me een blij gevoel dat ik niet alleen op de wereld ben.
Als ik in de keuken mijn ontbijt klaarmaak zie ik de vaders of moeders met kinderen op de fiets. Kinderen in groepjes of alleen die op de fiets, soms op de step of rolschaatsen naar school gaan.

Dit uitzicht op het Wim Kanplein was mijn eerste contact met Almere.
Ver van mijn vertrouwde uitzicht op door mij zo goed gekende buren keek ik nu uit op een parkeerterrein, het gezondheidscentrum en de Plus-supermarkt. Een wereld nieuw voor mij op afstand.

Gelukkig was er nog meer te zien. Een draaiorgel kwam af en toe langs. De gemeente snoeit, maait, knipt, wied onkruid, haalt blikjes en zakjes uit de hagen en zamelt kerstbomen in. De brandweer kwam na een storm. Er werden kieslocaties geplaatst voor de verkiezingen. Dat is te zien in het fotoboek:
https://www.albelli.nl/onlinefotoboek-bekijken?widgetId=99fc1b36-9db8-4872-b672-d5d83ec579d6
En er gebeurde waarschijnlijk nog veel meer als ik niet uit het raam keek.
Want ik had wel wat anders te doen dat de hele dag uit het raam kijken.

Langs mijn coniferenhaag, die mijn tuintje afschermt van de buitenwereld ligt een fietspad, waarlangs de hele dag door mensen liepen naar of van de Plus. Ik kende niemand van die mensen en ik zou ze ook niet leren kennen. Ik woonde op Wittenburg aan het einde van een schiereiland, waar ik zoveel mensen kende, dat ik op mijn dagelijkse ommetjes in de Coronatijd altijd wel vijf of meer bekenden tegenkwam.
Nu woonde ik op een plek waar heel veel mensen langskomen.
Ik bleek zelfs op de route van een NS-wandeling te wonen.

Amsterdam leek toen erg ver weg. Ik durfde vanwege de corona nog niet in de trein.
Dat voelde wel als een soort lockdown. Het was onwerkelijk. Niet echt eenzaam, ook wel een beetje als op vakantie. Het wende niet echt. Wat had ik gedaan? Zo ver van de vertrouwdheid van een hechte Amsterdamse buurt..
Gelukkig kwam toch ongeveer één keer per week wel een dapper iemand met de trein uit Amsterdam.
Meestal om te lunchen en daarna met de schuifpui naar de tuin open samen fluit te spelen.
Zo hielpen we elkaar de corona door.
Ik droomde van een housewarmingparty, waarbij al mijn nieuwe buren in de tuin zou zitten en ik soep zou serveren. Maar nu, meer dan een jaar later, mogen we nog steeds geen feestjes in huis houden.

Op 19 juni 2021 was in heel Almere een rommelmarktfietsroute. Hier dus ons fietspad.

Voor Buziaupad bleek dit de burendag te zijn. Iedereen zat in zijn voortuin met spullen. De mensen woonden er al 30 jaar en kinderen en kleinkinderen waren speciaal gekomen. Ik maakte kennis met de bewoners van de huizen, waarop ik uitkeek. Maar ik heb ze daarna nooit meer gezien, omdat in Almere de mensen niet in de voortuin maar achter de schuttingen in de achtertuin zitten:

En eigenlijk vond ik het wel rustig. Dat ik niet al die mensen in mijn flat tegelijk moest leren kennen. Er zijn bijna 200 woningen. Omdat deze flat 30 jaar geleden was gebouwd voor 55plussers, bleken er veel stokoude mensen te wonen. Ik zag wel een keer of vijf verplegers totaal in coronaproof witte pakken iemand afvoeren. Er werden steeds meer woningen gekocht.

Ook mijn directe buren beschouwde ik op afstand. Vanwege de corona praatte ik niet met vreemden, ook al waren ze buren.
Inmiddels zijn er nu wel een paar buren die ik wat beter heb leren kennen.

Maar wat ik nu ook weet is, dat er een verschil is tussen buren en vrienden. Met weemoed denk ik aan Wittenburg. Alle activiteiten die we als buurt deden en het Vierwindenhuis. Ik dacht daar echte vrienden te hebben. Maar toch zijn het allemaal buren en dat is iets anders dan de vrienden, die ik soms al bijna 55 jaar ken. Ik heb met buren lief en leed gedeeld, maar dat was bij de toevallige ontmoetingen op straat of feestelijkheden binnen. Bij velen ben ik nooit in hun huis geweest, bij anderen wel. Maar dat was dan voor een vergadering of om iets te doen.
Voor elkaar koken, samen op vakantie gaan, lange wandelingen samen, even spontaan binnen wippen omdat je toevallig in de buurt bent of je hart wilt luchten, uren aan de telefoon hangen dat doe je met vrienden. Die weten me nog te vinden. Bij vrienden kan het gesprek na een jaar nog doorgaan waar het gebleven was. Zij weten waar je vandaan komt.

Maar buren leven in hun groep, doen samen hun activiteiten of zeggen elkaar dagelijks gedag. Hun leven gaat door en ik ben daar niet meer bij. Ik weet niet van de nieuwe gebeurtenissen. Wat heb ik hun nog te zeggen? Ik mis ze wel mijn vrienden van op straat, waarmee ik spontaan een filosofisch of persoonlijk gesprek voerde. Slechte enkelen zullen van buurtgenoten vrienden worden.
Ik moet me nu storten in de wereld hier die nog nieuw en op afstand is.

Blog 55: Swing, een hommage aan Eva Bouman of hoe ik begon met fluitspelen.

Waar ik voor leef” of de “Antifascistenmars” is wel het bekendste werk van Eva Bouman. 1. Mijn partij in de “Ladies”. Inge of ik opende het stuk met een signaal op de piccolo, waarna eerst de klarinetten en fluiten en daarna de rest van het orkest inzette. 2. Het lied met de tekst die de moeder van Eva in de jaren 30 had geschreven. Ik zong deze tekst graag toen ik het moeilijk had in de coronatijd. 3 en 4. Deze versie heb ik met mijn fluitmaatje Maria DF op een voorspeelmiddag van Muziekgezelschap Wittenburg als fluitduet gespeeld.

Met de verhuizing vond ik achter op een plank in de box een doos met cassettebandjes, waarvan ik niet wist wat er in zat. Omdat ik voor in het lege nieuwe huis een gettoblaster had gekocht, kon ik voor het eerst sinds 15 jaar weer bandjes draaien, daarom besloot ik de doos mee te nemen.
Toen ik enige maanden in het nieuwe huis woonde, werd ik nieuwsgierig en maakte de doos open.
De meeste bandjes waren zelf opgenomen. Bandjes die ik van vrienden had gekregen met muziek die toen in mijn kringen populair was, Jazz en vrouwengroepjes. Het bracht me weer terug naar de jaren ‘70. Maar op de meeste bandjes stond “oefenbandje”. Ik kon in de jaren ‘70/80 geen noten lezen, maar ik had een dwarsfluit gevonden in een kraakpand. Ik mocht die meenemen van de eigenaar, want hij deed het toch niet. Ik kocht “a tune a day” en speelde wat voor de vuist weg.
Op een avond werd ik door een buurvrouw meegesleept naar “de Oktopedians” van Herman de Wit in het Bimhuis op de Oude Schans. Ik ging dus wat timide mee met de buurvrouw, die een grote saxofoon had.
In een donkere zaal waar het stonk van het feest van de dag ervoor, was het een gigantische herrie en alles mocht. Iedereen toeterde door elkaar en ik kon mezelf totaal niet horen, maar ik werd gegrepen door de ervaring dat meerdere klanken tegelijk soms wel een meerwaarde hadden.
In het midden van de arena van Het Bimhuis stond Herman de Wit met zijn hele lijf te springen en bracht zo de meute in het zelfde ritme en kon die zelfs stil krijgen of fluisterzacht laten spelen. Hij sprak met passie over muziek, maar voor mij was het abacadabra, want ik kon geen noten lezen en wist niet veel van muziek. Nog steeds is akkoordenleer voor mij een een soort Japans, een taal die ik niet kan doorgronden.

Ik heb wel moeite gedaan om bij de Ladies of Swing tijdens het soleren tonen te spelen in de juiste akkoorden.
In de tijd dat ik naar de Oktopedians ging, gaf ik les in Hoorn en moest drie dagen per week de trein van 6.45 halen om om kwart voor 8 mijn leerlingen op te vangen. De Oktopedians speelden ‘s avonds vanaf 20.00 uur totdat de laatste er bij neer viel, ergens de volgende ochtend. Maar ik ging meestal al voor tien uur naar huis en heb zelden het echte spektakel mee gemaakt. De professionals, de grote Jazzmuzikanten uit die tijd kwamen na hun optreden meestal ver na middernacht binnen vallen om mee te jammen.
Eva Bouman, die in de band van Herman speelde, kwam ook af en toe een nummer instuderen. Ook zij kon al die saxofoons die oorverdovend waren, temmen.

Zo’n vijf jaar later botste ik in het Vrouwenhuis aan de Herengracht tegen Eva Bouman op, die me gelijk vroeg of ik in haar band wilde spelen.
Ze wilde een groot vrouwenorkest oprichten; “de Ladies of Swing” en dat zou overdag repeteren in het Vrouwenhuis. Ik zei dat ik nauwelijks fluit kon spelen. Dat was geen probleem. Ze wilde mij wel een fluitles geven. Als ik bij haar thuis hielp haar bed te versjouwen, wilde ze mij in ruil daarvoor een les geven. Zo gedaan!
Eva woonde bij haar moeder in een groot pand aan de Hemonystraat in de kelder. Het bed moest ergens van boven komen. In die tijd was ik nog best sterk, dus wij manoeuvreerden dat bed die trappen af. En zetten het op zijn plaats.
Ik moest wat voorspelen op mijn fluit. Ik had, meen ik, wel een goed gehoor, want ik werd aangenomen voor het orkest. Daarna pakt Eva een schoolschrift, waaruit ze de middelste twee blaadjes scheurde. Al vertellend schreef ze het dubbele binnenblad met een potlood helemaal vol met kleine tekentjes.
Ze tekende een kwintencirkel, alle letters waren andere toonladders, al begreep ik dat toen niet echt. Ze schreef een toonladder op en ze ging van daar uit oefeningen opschrijven. Eva’s instrument was sopraansax, en dat betekende toendertijd dat je als Jazzmusicus alle saxen bespeelde, daarnaast speelde ze niet onverdienstelijk trompet en privé ook klarinet en nog zo wat, en dus ook dwarsfluit. In het orkest pakte ze af en toe de basgitaar, drums of piano om wat voor te doen of uit te leggen. Maar toen pakte ze haar fluit en speelde voor hoe je de toon op verschillende manieren kon aanzetten. Ze schreef onderaan het blaadje: “alles oefenen met t, d, f, p of tk aanzet “ en daaronder legato en nog wat termen tot staccato.
Zo, Ik had werk voor de komende 10 jaar!
Nu, 40 jaar later zou ik daar nog plezier aan hebben gehad. Want tijd om de hele dag te oefenen, heb ik in mijn drukke leven nooit gehad. Ik ben een amateur gebleven, die met anderen samen spelen leuk vind.

Wat ik mij vooral herinner van Eva en “de Ladies”is, dat ik haar composities en arrangementen zo fantastisch vond.
Ik kon weinig, maar andere dames konden heel veel. Tijdens de repetitie zette Eva een nieuw stuk op de standaard en dan zei ze: “Spelen maar!” De eerste keren speelde ik niet, maar ik keek naar de lijnen van mijn partij op de standaard en luisterde ik : Waar zouden mijn nootjes inpassen? Speelden wij met vier fluiten een akkoord? Of hadden we alle vier iets anders en moest ik met een ander instrument, dat ergens ver weg stond, meespelen?

Soms speelde ik tijdens het hele stuk hetzelfde, een heel fris raar loopje en dat prachtig paste in het geheel. Mijn favoriete nummer was: “ Hazelnoot met Malaga met slagroom”
Eva was een meester om in een arrangement verschillende melodietjes in elkaar te laten passen.
Zo was er een stuk met bekende klassieke melodieën die totaal in elkaar gevlochten door elkaar heen gespeeld moest worden.

In de doos vond ik dus veel bandjes met de tekst oefenbandje en dan de naam van de band waar ik in de jaren 70 en 80 in speelde. Ik zag en hoorde weer terug, hoe ik dat vroeger deed. Ik was dat vergeten: Ik nam met een radio-cassetterecorder de repetitie op en soms maakte ik ook opnames van wat ik thuis speelde om te vergelijken of dat hetzelfde klonk. Zo heb ik dus jaren mee kunnen spelen voor ik het notenschrift een beetje kon lezen.
Verlangend om Eva’s frisse arrangementen te horen zette ik de bandjes op.
Waarschijnlijk waren het ook oefenbandjes geweest, want ze waren allebei kort. Maar er was iets overheen opgenomen.
Op het eerste bandje stond alleen de begeleiding door de ritmesectie. Ik herinner me dat je Eva een bandje kon geven, waarop zij dan de begeleiding van een reeks nummers zette, zodat we thuis onze partij konden mee spelen om te oefenen.

Op het andere stond een opname van een concert. De zaal is uitzinnig. Het gezang van een volle zaal, ik denk niet het Bimhuis en ook niet Paradiso, overstemt het orkest. Eva doet al aan het begin van de opname verwoede pogingen om de zaal tot rust te manen. “Dames op de voorste rijen gaat u alstublieft zitten, zodat de dames achter u ook iets kunnen zien.” Dat was inderdaad een vreemd effect dat zich soms voordeed bij een optreden bij de “Ladies”.
Een zaal vol vrouwen die volledig uit hun dak ging. Eva wilde echt mooie muziek maken. Natuurlijk traden we ook wel eens samen met de Octopedians op, maar dat was dan buiten of bij een politieke manifestatie. Maar Eva wilde dat de mensen naar ons luisterden. Wat was dat toen met die vrouwen?

Eva zelf was wild en tegendraads, speelde graag met de zaal en een enkel muziekstuk eindigde ook in een chaos, zoals dat toen in de mode was bij veel Jazzgroepen.
Maar bij mannengroepen als bijvoorbeeld het Willem Breukercollectief of de Volharding bleef het gemengde publiek toch de luisteraar. Bij de “Ladies of Swing”maakte soms de zaal vol met vrouwen er zelf hun eigen feestje van. Het orkest kon de herrie in de zaal niet overstemmen. Eva werd dan echt boos. Ze maakte de nummers wat langer met herhalingen en liet maar wat meer solo’s blazen en zei tegen ons: die en die nummers doen we nu niet en dan was daar voor ons ineens onverwacht een uitsmijter als slot. Zo’n concert staat op dat bandje. Van de verfijnde arrangementen is weinig te horen.

Misschien is “de Ladies of Swing” wel ten onder gegaan aan haar eigen succes, denk ik nu.

Ikzelf heb bij Eva ervaren hoe geweldig het is om in een groot orkest te spelen en te horen hoe alle klanken samen komen. Zij heeft mij echt een push gegeven om met fluitspelen door te gaan.
In het “Muziekgezelschap Wittenburg” kreeg ik dat gevoel weer: dat samen muziekmaken meer is dan de omlijsting van een feestje. Dat je zelf tijdens het spelen geniet van zoveel klanken om je heen die samenkomen, terwijl je er zelf een klein stukje of soms de solo van bent.

De “Ladies of swing” heeft bestaan van 1982 tot 1985. In februari 1984 ben ik bevallen van een dochter. Dus ik zal in 1984 ook optredens gemist hebben. Daarna heb ik nog 15 jaar in de Fanfare van de eerste liefdesnacht en 15 jaar in Muziekgezelschap Wittenburg gespeeld, maar ik denk dat de paar jaar met Eva voor mij het belangrijkste zijn geweest om echt te ervaren wat het betekent om samen muziek te maken.
Eva Bouman is in 1989 op 45 jarige leeftijd aan kanker overleden.

Alle papier komt uit mijn muziekarchief; de foto’s zijn uit “De Ladies of Swing, een documentaire” van Mirjam Boelsums e.a., 1986

Blog 54: Pieternell, die Paula heette (1945)

Mijn ouders streden voor de oorlog als overtuigd katholiek voor de emancipatie van het ‘achterlijke zuiden”. Ik heb mijn ouders in mijn jeugd altijd wel horen schelden op de KVP en andere christelijke partijen. Ikzelf ben gedoopt en heb mijn eerste en tweede communie gedaan, maar vrij snel daarna gingen mijn ouders niet meer iedere zondag naar de kerk.
Toen ze jong waren wilden allebei ze graag in Amsterdam wonen, mijn moeder omdat haar broer daar woonde en ze echt wilde werken in plaats van naaien en koken thuis in het “dorp” Bergen op Zoom. Dat wil zeggen, als mijn moeder geen werk had, moest zij steeds weer terug naar haar ouders.
In 1938 volgde mijn vader mijn moeder vooral ook omdat hij ontslag genomen had bij de Residentiebode de krant waarvoor hij in Den Haag werkte. Volgens mijn vader had deze krant waarvan hij de parlementair verslaggever was, fascistische trekken. De maat was voor hem vol toen ze zijn stukken censureerden. In Amsterdam werd hij economisch redacteur bij De Tijd.

Deze twee trouwfoto’s zijn de enige trouwfoto’s die van mijn ouders gemaakt zijn. waarschijnlijk door iemand van de studievereniging van mijn vader, die hier met petjes op in het gelid staat.

Mijn ouders kwamen uit een minderheid, die later numeriek een meerderheid zou worden in Nederland. Het was dus voor hen vanzelfsprekend dat joodse vluchtelingen in de journalistecafés hun vrienden werden. Mijn moeder had in september 1934 tot in februari 1935 gewerkt in de Jodencrèche. (Zie blog 39)

Na haar huwelijk met mijn vader in 1941, waardoor ze blijvend in Amsterdam woonde, gaf mijn moeder zich op om een Joods kind in huis te nemen. Het zou niet opvallen, omdat mijn moeder vaak erop aangesproken werd, dat ze er joods uitzag. Toch leek het mij wel wat naïef gedacht van haar omdat ze in hartje Amsterdam op de Blauwburgwal woonde. Er is geen joods kindje bij haar gebracht.

Toen mijn ouders in 1944 onverwacht met een vals paspoort moesten onderduiken doordat mijn vader banden had met het verzet, kwamen ze door een ingewikkelde vierhoeksruil in een woning in Breda terecht. Daar werden ze aangezien voor NSB-ers. Na enige maanden herkende een vrouw in de straat mijn moeder als een schoolgenoot van de jonge School voor Maatschappelijk Werk te Sittard. Mijn moeder had daar in de eerste pioniersklassen gezeten. Zij kende deze buurvrouw niet, maar deze jongerejaars herkende haar wel. Mijn moeder had nu in deze voor haar vreemde stad één vriendin. En dat was haar geluk. Mijn ouders werden na de bevrijding langzamerhand door de buurt geaccepteerd.

Hoewel mijn moeder de tijd vlak na de bevrijding een heel nare tijd vond, ( zie blog 45) liet zij zich er niet van weerhouden om een kindje in huis te nemen, waarvan de ouders als NSB-ers in de gevangenis waren gezet.
Dit is het verhaal van Pieternell, zoals mijn moeder mij dat in 2010 vertelde:

“De kinderarts vroeg me of ik bij het klooster de nonnen wilde helpen.
Daar werden kinderen van NSB-ers verzameld. Hun ouders waren opgepakt en in kampen gestopt. Veel kinderen hadden mazelen. Toen kwam er een baby, waarvan niets bekend was. Ze was zo zwak. Ik dacht als ze mazelen krijgt, overleeft ze dat niet.
Ik heb haar toen mee naar huis genomen.
Toen ze een beetje opknapte, was het geen baby; ze kon al lopen.
Ik had haar Pieternell genoemd.
Je broer Jan en ik waren dol op Pieternel.
Na 8 maanden kwamen drie kinderen langs die gelukkig waren dat ze hun zusje hadden gevonden. Pieternell heette Paula en was de jongste van een gezin van zes kinderen. De oudste was 10 jaar en alle kinderen waren ergens anders geplaatst.
Je snapte niet dat ze de kinderen bij hun ouders weghaalden.”

“En maand later kwamen ze (Bureau Bijzondere Jeugdzorg) Pieternel, die Paula heette, halen. Wij waren katholiek en zij moest naar een Protestants-christelijk gezin.
Pieternell ging als ze in de kinderstoel zat en ze wilde eten, altijd kruistekens slaan in de hoop dat ik dan haar bordje opschepte. Wij baden toen nog voor het eten. Die gewoonte van Pieternell kon ik haar toen niet afleren.”

“Na vier weken kwamen ze Pieternel weer brengen met een tas vol prachtige kleertjes.
Die mensen op een landhuis in Limburg wilden haar niet omdat ze in haar broek plaste.
Wat was ik blij met haar!
Na 3 manden werd Pieternel weer opgehaald. Ze moest weer naar een ander protestant gezin.
Toen zei ik: “ik wil niet weten waar ze heen gaat en ze mag niet terugkomen.”
Ik had er veel verdriet van, dat ze weg moest. Ik had graag Paula aan haar eigen ouders en zusjes gegeven.
Dat gesol met die kinderen, zo vreselijk vind ik dat.”

Mijn moeder heeft nog overal o.a. via de kerk haar best gedaan om meer kinderen bij het klooster weg te halen, omdat de nonnen de zorg voor zoveel kinderen niet aankonden. Ze was erg teleurgesteld, dat anderen haar voorbeeld niet volgden.
Dat moeder van Pieternel/Paula hield, blijkt ook uit de vele foto’s die ze van haar genomen heeft.
Mijn zus heeft jaren later nog vaak geprobeerd mijn moeder over te halen om contact te zoeken met Paula, maar mijn moeder wilde dat niet.
Ze was in de oorlog Jans tweelingbroer Egidius verloren en “het gesol met Pieternell” is voor haar ook altijd heel pijnlijk gebleven.

Het zou fijn zijn als via dit blog Paula alsnog te weten komt, dat in haar moeilijke eerste levensjaren iemand van haar heeft gehouden.

P.s. Deze foto’s zijn met een minder goede camera gemaakt, dan die moeder voor de oorlog had.
Ik vermoed dat moeders camera in Amsterdam is verkocht of geruild voor eten.
Na mijn geboorte 1949 heeft mijn moeder niet meer gefotografeerd. Haar jongste broer Piet heeft pas na mijn eerste verjaardag weer foto’s van de familie gemaakt. Moeders jongere zusje heette Nel, de naam Pieternell is dus niet uit de lucht komen vallen.

Blog 53: Lockdown 2. Balkonfoto’s maart-juni 2020 of waarom ik ging verhuizen uit Wittenburg. (fotoboek)

Het fotoboek bij dit blog gaat over de eerste lockdown in 2020. Toen we met zijn allen nog even echt binnen bleven.
Toen heb ik op een nacht besloten, dat ik Amsterdam waar ik 52 jaar heb gewoond, waarvan 40 jaar op de Oostelijke Eilanden, moest verlaten.


Ik heb daarna voor mijn buren een afscheidsboek gemaakt. Zelf zal ik zo ook mijn straatgenoten en goede vrienden blijven herinneren.
https://www.albelli.nl/onlinefotoboek-bekijken?widgetId=f73a29c4-8d87-40f9-998b-c5b3c242af46

Als iemand mij een jaar geleden zou zeggen dat ik Amsterdam uit zou gaan, had ik die persoon hard uitgelachen. Ik was er van overtuigd dat ik tot mijn dood zou blijven wonen in mijn fijne buurt.
De beschrijving hieronder van de Oostelijke Eilanden is heftig en niet negatief bedoeld. Als je er midden in zit met de dagelijkse contacten besef je niet wat je allemaal mee maakt. Van een afstand bekeken ziet het er best heftig uit.

Toen ik op Wittenburg kwam wonen, was het een onopvallende nieuwbouwbuurt bijna geheel sociale woningbouw. Onderdeel van stadsdeel Centrum, maar achteraf gelegen tegen de spoorbaan.
Vanaf de hoogte Kadijk verhuisde ik naar het eind van Wittenburg. Mijn dochter kon nog steeds te voet naar de Parelschool en speelde er met haar vriendjes op straat of in de speeltuin. Als achtste groeper hing ze na schooltijd in de voetbalkooi, zoals dat in deze buurt gebruikelijke was. Toen mijn dochter naar de middelbare school ging, fietste zij de buurt uit. Maar ik was er inmiddels geworteld.

Er veranderde veel.

De bedrijven verdwenen uit de stad en achter het spoor werd het Oostelijk Havengebied bebouwd.

Tot dan keken we vanuit Wittenburg ongeveer 4 keer per jaar naar het spektakel op Oostenburg. Daar werden de scheepsmotoren, die in de Storkfabrieken waren geproduceerd op een zeecoaster geladen. Behalve het proefdraaien en het uitladen van de motoren was er van Stork, later Wätselaa, geen teken van leven. Vanuit de RMO- werkplaatsen waar locomotieven werden gemaakt, was overdag wel af en toe het vrolijke gehamer van staal op staal te horen. Totdat om 16.30 de fabriek over het bruggetje leeg stroomde.
Maar ook deze bedrijven verdwenen. Kunstenaars namen het terrein over en na veel inspraakrondes met fantastische ontwerpen kwam er enthousiaste werkgroep die met de woningbouwvereniging en de gemeente een mooie duurzame groene stadswijk ontwerp.

Tussendoor werd het motto van Amsterdam: Amsterdam Dance City of the world.
En waar kan je dat nu beter doen dan op een terrein met lege industrie gebouwen.
Juist: Oostenburg! In 2010 (of 2011 ?) werd Amsterdam Dance Event op Oostenburg gehouden in vier grote leegstaande fabriekshallen.. Nadat de buurt helemaal gek was geworden van vier dagen 24 uur per dag houseritmes vanuit de ruïnes is dit gelukkig het jaar erop door de protesten niet herhaald. Wel werd een vergunning afgegeven om in het Koudgasgebouw een Horeca met dansgelegenheid te starten.


foto’s van FB pagina Roest

De argumenten van de ambtenaren waren dat er rondom alleen water was en geen mensen woonden. Er werd alleen een kaartje van Oostenburg gepresenteerd, terwijl Wittenburg er vlak naast ligt en geluid over water nog versterkt wordt. Er kwam een protestgroep en na protest met jarenlange procedures werden uiteindelijk openluchtevents niet meer toegestaan en was deze horeca alleen in de weekenden open tot 3 uur met een viertal uitzonderingen per jaar tot in ver de vroege uurtjes.
Mijn woning lag daar recht tegen over op dezelfde zandplaat dus mijn hele huis trilde tot 3.30 mee.

Tegelijk met deze massale toeristische attractie ontstond ook een levendige drugshandel op het eind van Wittenburg.
Mijn doodlopende straatje was ‘s nachts het decor voor de meest bizarre taferelen. En omdat ik op het eind van het straatje aan de kade, beneden direct aan de straat woonde, kon ik mij daar niet voor afsluiten. Ook niet voor de verhalen van mijn overburen, die hadden meegemaakt dat mannen met machinegeweren door hun flat renden en een jaar later de slachtoffers van de schietpartij op de speeltuin door hun tuinen zagen aankomen. (Zie blog 37 en 38)

In de laatste maand dat ik er woonde was ik er getuige van dat een totaal onschuldige jongen van ons eiland door vier agenten in de boeien werd geslagen, omdat er een uur daarvoor achter mijn huis een wapen was gedropt door vier jongens op twee scooters die ik voorbij had zien scheuren.


Op 11 september 2020 om 7 uur dealde deze jongen met ballon in de mond met een kale man met een gesloten busje. Anderhalf uur later was hij nog te lam om weg te rijden.

De handelaren komen van buiten de buurt. Maar jongeren in de buurt met een niet-Nederlandse achtergrond werden gestigmatiseerd. Terwijl veel jongeren door prima ouders met steun van de basisscholen het ver gebracht hebben. Meer dan elders hebben kinderen van analfabete ouders op de Oostelijke Eilanden een HBO of een universitaire studie afgerond. Helaas kon soms in deze prachtige gezinnen een jongste kind de verleiding van het snelle geld: pilletjes op de stoep gekocht en voor het vijfvoudige aan de overkant van de vaart verkocht, niet weerstaan. In tegenstelling tot in de andere stadsdelen werd in stadsdeel Centrum geen enkele cent uitgegeven aan jongerenwerk. Zo was er geen begeleiding of bescherming op straat in de buurt.
Het leek jaren alsof niemand geïnteresseerd was in wat er hier gaande was. Dit is goed verwoord door misdaadverslaggever Paul Vugts in het Parool van 25 december 2019:

De nieuwe generatie criminelen bestaat uit jongens, vaak van Marokkaanse origine, maar ook Surinamers, Antillianen en Nederlandse kaaskoppen, die op jonge leeftijd – vaak via drugs – radicaal overgaan van lichte strafbare feiten naar zware misdaad, zoals liquidaties. Heel gewone jongens, uit lieflijke buurten. Alleen uit de Oostelijke Eilanden zijn al twintig jongens vermoord of lang vastgezet. Dit is een heel belangrijk onderwerp voor een Amsterdamse krant als Het Parool. Als er overdag op straat ineens met kalasjnikovs wordt geschoten en verkeerde mensen door blunders worden doodgeschoten omdat daders in paniek en onder hoge spanning niet zien wat ze doen, valt de journalistieke relevantie niet te ontkennen. Ook daarom verbaast het me dat de aandacht voor Holleeder lang zoveel groter is geweest. ” zie ook blog 37 en 38.

Toen kwam de corona lockdown. Iedereen kwam om te zien hoe rustig Amsterdam is. De politie moest het weekend voor Pasen 2020 mijn straatje ontruimen vanwege de grote aantallen bezoekers en bleef nog weken surveilleren. Mijn stoep was een openbaar strand geworden, waar iedereen uren stond te telefoneren.

Maar de meeste overlast was toch de herrie van vijf maanden durende verbouwing van het pand waar ik door de corona met de eerste maanden nog heel koud weer, in zat opgesloten.

Tegelijkertijd werd er met grote machines geheid en gejekkerd op Oostenburg. Toen de crisis van de jaren ‘80 voorbij was de opdracht voor Oostenburg: robuust en industrieel. Zodoende verijzen daar nu peperdure torens van staal, glas en beton.


Omdat ik voor mijn gezondheid een middagslaapje nodig heb en dit in die herrie onmogelijk was, ging mijn gezondheid was erg achteruit.

Opeens ging op een nacht bij mij de knop om. Hoezeer ik ook verbonden ben met zoveel mensen in deze buurt: ik moest weg. Voor mij voelde het alsof hen in de steek liet. Een buurt met zoveel saamhorigheid en met voortdurende achterstelling door Stadsdeel Centrum en de noodzakelijke strijd tegen de gemeente. Een buurt met zoveel vrienden, die ook bereid waren op mij te letten nu mijn gezondheid minder is.


Aubade door mijn vrienden uit het Vierwindenhuis op mijn verjaardag in augustus 2020


Schouw door de groengroep met de buurtcoördinator op 3 september 2020

Almere bevalt tot nu toe uitstekend. Ik geniet ieder uur van de broodnodige rust. De kleine wandelingetjes, die ik maak zijn hier zijn prachtig. En aan de horizon zie ik dan Amsterdam, waar ik zoveel fijne jaren heb doorgebracht. Ik heb nog steeds een vakantie gevoel. Maar ik hoef hier geen foto’s te nemen want al dat moois is er volgend jaar weer.

https://www.albelli.nl/onlinefotoboek-bekijken?widgetId=f73a29c4-8d87-40f9-998b-c5b3c242af46

Zoals gebruikelijk staan er in dit blog geen foto’s die ook in het boek staan: